feuilleton – Zoek gegevens zoek

Dinsdag leek mij een mooie dag om een bezoek te brengen aan het Utrechts Archief. Vroeg uit de veren, want ik besloot om de reis per Openbaar Vervoer te maken. Maanden geleden had ik een OV-chipkaart aangevraagd en ontvangen. Het was dus tijd om het ding te “activeren”, maar eens te gebruiken dus. Het heeft wel wat om je zo te laten vervoeren, al moet ik zeggen dat het allemaal wel erg lang duurt. Een dikke twee uur had ik nodig om het Archief te bereiken. Daar meldde ik mij bij de balie. Na het inschrijven van mijn ID-gegevens mocht ik doorlopen naar boven waar voor mij een bezoekerspas werd aangemaakt, waarmee ik toegang had tot de studiezaal. De medewerker daar vroeg wat ik wilde opzoeken en hielp mij op weg in de voorhandenzijnde informatie. Dat zijn voor het grootste deel microfiches die met een speciale viewer bekeken kunnen worden. Ik begon met het zoeken naar het adres dat Schenk opgegeven had bij de aangifte van de geboorte van zijn dochter Jeanne, mijn oma. De Zonsteeg in Utrecht heet tegenwoordig Zonstraat, maar was kennelijk veel uitgebreider dan de huidige straat, want hij gaf op te wonen op nummer 329. Hij was niet de enige die op dat idee gekomen is, want er waren wel elf kaarten met 25 microfiches voor dat nummer. Elke foto bevatte een lijst met namen van mensen die op dat huisnummer waren ingeschreven geweest. Maar hoe ik ook zocht, nergens ben ik zijn naam of die van zijn vrouw Christina Wetters tegengekomen. Wel vond ik de naam van Willem Benedictus Stoof. Dit is de kunstschilder die getuige is bij de aangifte van zoontje Alouisius Schenk in 1872. Helaas vergat ik te noteren vanaf welke datum hij daar woonde en tot hoelang. (Ik was toen nog vol goede moed dat ik de vermelding van Schenk zou kunnen vinden.) Toen ik nogmaals zonder succes alle kaatjes had doorgelopen, richtte ik mijn aandacht op de persoonsvermeldingen. Dat  zijn lijsten waar alle inwoners van de stad alfabetisch-chaotisch zijn vermeld, met verwijzing naar het adres waar zij woonden. Alfabetisch-chaotisch wil zeggen dat op de lijst alle namen die beginnen met bijvoorbeeld de letter S zijn geschreven in willekeurige volgorde. Hoewel de ambtenaren die dat deden over het algemeen over een redelijk leesbaar handschrift beschikten en kennelijk hun best hebben gedaan om duidelijk te schrijven, was het een langdurige zaak om alle lijsten (ik schat zo’n 4.000 namen) door te nemen. Toch bleef ook dat zonder resultaat. De medewerker merkte mijn moedeloze houding op en kwam maar eens helpen. Maar ook hij moest constateren dat Martinus Schenk niet in de boeken voorkwam. Ik stelde voor om dan maar te zoeken op zijn adres in Maarssen, dat Schenk opgaf bij de geboorte van zijn dochter Joanna in 1870. Maar de burgerlijke stand van Maarssen vermeldde evenmin dat Martinus Schenk daar of elders in de gemeente gewoond heeft. Hoe kan dat nou? Kon overopa Schenk daar zijn gaan wonen zonder zich in de gemeente in te schrijven? Deed hij dat vaker? Is er daarom ook geen gezinskaart op zijn naam gemaakt in Amsterdam? Het is mij een raadsel. Hier in het Archief kom ik daar voorlopig niet verder mee. Daarom had ik nog tijd om een bezoek te brengen aan de bibliotheek van het Museum Catharijneconvent dat maar enkele stappen van het archief verwijderd is. Tevoren had ik al op de website gezien dat er een aantal boeken waren die ik graag eens wilde inzien. De bibliothecaris legde mij heel vriendelijk uit hoe alles werkte en inderdaad was al het materiaal beschikbaar. Alle Gildeboeken mocht ik inzien. Er was een afstudeerscriptie over het Bernulphusgilde van F.S. Hartog-Timmer uit 1988, het boek De Utrechtse School enz. van Arjen Looijenga en een Catalogus met voortbrengselen van Kerkelijke kunst ingezonden door het Utrechtse Kunstenaars Gilde (!) voor de Wereldtentoonstelling in Amsterdam van 1883. (!) achterin staat: ingezonden door de werkende leden van het Sint Bernulphus Gilde.

Hierin lees ik dat er werk te zien is van de architect A.Tepe. O.a. kerken te Avereest, Varik, Angeren, kerk en pastorie van Workum á fl. 90.000,- en de Krijtberg te Amsterdam die minder dan fl. 150.000,- heeft gekost. Van F.W. Mengelberg zijn er beelden, van H. Geuer glas in lood, van Chr. Lindsen voorbeelden van zijn polychromie, decoraties en wandbeschilderingen (hij wordt aangeduid als kunstschilder te Utrecht), van J. Schillemans muurtegels en van D.L.van Kent &Zn schrijnwerk naar tekeningen van Mengelberg. Alle illustraties zijn van Mengelbergs hand en ik vermoed dat Van Heukelum, de deken van het Gilde, hier niet in gekend is. Schenk zat in 1883 in Brussel en is hier dus ook niet voor gevraagd.

Helaas heb ik geen tijd meer om de overige boeken uitvoerig te bestuderen, maar ik heb het gevoel dat ik toch veel wijzer geworden ben over het functioneren van het Gilde. Terugreizend naar huis besef ik mij dat ik mijn OV-chipkaart niet heb uitgecheckt bij het verlaten van de bus, maar dat zien we later dan wel weer.

Geplaatst in feuilleton | Plaats een reactie

Feuilleton – Een lezing in Nieuwegein

Gisteravond was ik naar Nieuwegein. Ik had via Google op de site van de Sint Nicolaaskerk gelezen dat ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het gebouw een lezing werd verzorgd over de architect Alfred Tepe het Bernulphusgilde en de bouw van de Nicolaaskerk in Nieuwegein. Nu had ik in mijn informatie, die ik van het Museum Catharijnen Convent heb gekregen, gelezen dat aan het hoofdaltaar van F.W. Mengelberg was gewerkt door G.B.F. Jansen, M.C. Schenk, L.L. Hendrix en G.B. Brom. Mijn aandacht was getrokken en de hoop op het verzamelen van belangrijke informatie gewekt.

Ton van Schaik in de St Nicolaaskerk

Ik was ruim op tijd aanwezig en de koffie stond klaar. Dus voor de lezing begon kon ik op mijn gemak het interieur van de kerk bekijken. Deze kerk is een gaaf stukje neogotische architectuur. Hoewel ik weet dat deze kerken altijd geheel uit baksteen werden opgetrokken, zijn de zuilen als zo vaak afgewerkt met pleister en daarna geschilderd in een zandsteenkleur, waarbij de geschilderde voegen het geheel een overtuigende natuursteenuiterlijk geven. Nu weet ik niet of het de bedoeling van de architect is geweest, maar naar mijn overtuiging was het juist de bedoeling van het Bernulphusgilde om het interieur en exterieur zo puur mogelijk Nederlands (Neder-Rijns) te laten zijn. In andere kerken zie je vaak dat er op het stucwerk een geschilderde decoratie is aangebracht. Die werd in latere jaren soms als te druk ervaren en wit overgekalkt. Of dat hier ook is gebeurd weet ik niet. De lezing die werd verzorgd door de heer Ton van Schaik gaf daarover geen duidelijkheid. Wel was zijn verhaal doorspekt met interessante feitelijkheden over het ontstaan van de Neogotiek en de filosofische achtergrond die daarbij een rol heeft gespeeld. Het werd overtuigend en met verve gebracht, waarbij zelfs de humor niet werd geschuwd om het publiek te onderhouden. Maar veel nieuwe feiten ben ik niet aan de weet gekomen. Wel viel mij op dat het altaar waaraan Schenk had meegewerkt pas in 1887 gereed was gekomen. Schenk woonde toen al een paar jaar niet meer in Brussel.

Het hoofdaltaar van Mengelberg cs

Dus richt mijn zoektocht zich nu meer op een nieuw verblijf in Maarssen, waar hij tussen 1868 en 1870 ook al gewoond heeft. (Volgens C.W.P. Bloemendaal die een stuk had geschreven voor de vereniging Oud Maarssen, heeft Schenk tussen 1868 en 1886 gewoond op de Langegracht nr. 45a.) Dat wordt dus een bezoek aan het archief van Utrecht, want de gegevens van de burgerlijke stand zijn niet op internet beschikbaar.

Geplaatst in feuilleton | Plaats een reactie

Biografie – De laatste jaren in Brussel

De verwelkomingen van het nieuwe jaar werd op Hollandse wijze gevierd met oliebollen en suikergoed. Bij een mooi glas wijn klonken de oudsten. Men wenste elkaar een zalig en gelukkig nieuwjaar. De stemming was die eerste dagen van 1882 uitgelaten. Iedereen was gezond. De kleine Hélène dronk prima en liet haar eerste lachje zien. Ook moeder Christina was op de been en nam de huishoudelijke taken weer op zich. Stien, Jan en Marie waren weer aan het werk en ook Martinus ging verder met de kruiswegstaties die hij onder handen had.

   Drie staties voor Vierakker

Hij heeft er dan al heel wat gemaakt sinds hij in Brussel is gaan wonen. In 1872 had hij, toen hij nog in Utrecht woonde, de staties voor de Onze Lieve Vrouwe Onbevlekt Ontvangen kerk in Wijhe geschilderd. In Brussel kwamen in 1876 de staties voor de Willibrordus kerk in Olburgen gereed. In 1877 voltooide hij de staties voor de Kruisweg in Kampen. Vervolgens zijn in 1878 de staties in de parochiekerk van Weesp opgeleverd. De staties voor de kerk in het Friese Bakhuizen kwamen klaar in 1880. Nu was hij bezig met de laatste hand te leggen aan de staties voor de Willibrorduskerk in Vierakker. Er lag nog een bestelling voor een nieuw te bouwen kerk in Vianen en mogelijk nog een voor een kerk in Schagen. Martinus telde op zijn hand. Dat zijn acht keer 14 schilderijen dus, even kijken, honderd en twaalf schilderijen, waarin hij iedere keer zijn ziel en zaligheid probeerde te stoppen ondanks de beperkingen die hem door het Bernulphus-gilde, zeg maar Fried … eh … “Mijnheer” Mengelberg, werden opgelegd. Alle opdrachten liepen ook steeds via die Duitser, die steeds alle eer naar zich toetrok. Als Martinus meewerkte aan een van de altaren die er in die tijd door het atelier van Mengelberg werden geproduceerd, werd het hem en de andere kunstenaars verboden om werk te signeren. Dat recht eigende Mengelberg alleen zichzelf toe. Toch kon Martinus het niet laten om af en toe een statie of een altaarluik onopvallend te signeren. Ook andere kunstenaars deden dat steeds vaker, al leidde dat altijd tot hevige discussie en soms tot wrevel.

In de wereld van de kunst was er op dat moment van alles aan de hand. Martinus hoorde daarvan bij contacten met collega’s in Brussel. Maar ook als hij in Holland was. Dan werd er gesproken over de “Impressionisten”. Deze moderne kunst in Parijs werd door de kritiek neergesabeld, maar ondertussen werd er veel over gesproken. In Brussel werd een nieuwe groep opgericht: Les Vingt, meestal aangeduid als “Les XX”. Deze kunstenaars wilden een eigen weg gaan. Radicaal breken met de academische kunst van die dagen. Enkele van de leden zoals Felicien Rops had hij al eens ontmoet en de jonge zonderling James Ensor was een klasgenoot van zijn zoon Jan geweest. Het kon Martinus allemaal niet zo heel erg boeien. Zijn ervaringen met Willem Roelofs en diens vrienden uit Den Haag, waren hem genoeg. Hij hield zich maar liever vast aan de techniek, de schoonheid en de waarden die hem van jongs af waren bijgebracht. Hij verdiende er een goede boterham mee en het gaf hem voldoening dat zijn werk zo goed werd ontvangen door de doelgroep. Dus werkte Martinus maand na maand door aan zijn staties, al werden de contacten met het Utrechtse thuisfront steeds stroever en ook de vriendschap met de Brusselse kunstenaars wilde niet echt van de grond komen. Verschillende portretopdrachten gingen aan zijn neus voorbij en het genreschilderen had hij wel zo’n beetje gehad.

1882, 1883 gleden voorbij. Terwijl op zijn ezel steeds weer een nieuwe episode uit het “Lijden Van Christus” verscheen, droomde hij van kunst en de heerlijkheid van de verrukking die dat teweeg kon brengen. Het ging hem niet om de roem of het grote geld, dat mensen als vroeger Pieneman en nu Israëls pakten met hun grote doeken, die bestemd waren voor de salons van de hoge heren of de paleizen van de vorst. Nee, hij was tevreden met zijn plaats in de vele kerken en hoopte stiekem dat het hem wat extra aandacht van Onze Lieve Heer zou opleveren. Zijn gezin gaf hem veel gezelligheid. Hij liep nu tegen de vijftig en er woonden acht kinderen in zijn huis variërend in leeftijd van één tot vierentwintig jaar. Dat bracht behalve veel vertier ook verantwoordelijkheid met zich mee. Zijn vrouw Christina besteedde veel aandacht aan de muzikale opvoeding van de kinderen. Ze zong met ze en leerde ze pianospelen. Zelf ging hij vaak met de kinderen tekenen waarbij naast Jan vooral Henriëtte en de kleine Pierre blijk gaven van hun talent op dat vlak. Maar het heerlijkste vond hij toch om met het hele gezin te wandelen in de Vallée Josaphat. 

Dan zochten zij sneeuwklokjes, het Speenkruid of het Klein Hoefblad. Zij bewonderden de Elzenkatjes, die zo prachtig geel konden stuiven in de ijle voorjaarslucht. Soms in augustus als Brussel de hele dag had liggen braden in de zomerzon, was het heerlijk om in het park de avond af te wachten. Dan speelden ze “diefje met verlos” of “boompje wisselen”. Dan klaterde hun lachen tussen de bomen omhoog. Maar als de vleermuizen verschenen werd het tijd om moegespeeld weer op huis aan te gaan. Ook in de herfst was het er fijn, met de rood- en geelkleurende bladeren, de kastanjes en beukennootjes, de paddenstoelen en het zachte mos. Ook dan waren er veel speelmogelijkheden en spannende ontmoetingen met vriendjes en vriendinnetjes. Ach heerlijk Brussel, ze hoefden er nooit meer weg!

Geplaatst in Biografie Schenk, feuilleton | Plaats een reactie

Feuilleton Zwolle

Ik ging naar Zwolle om de Onze Lieve Vrouwe Basiliek te bezoeken. Deze kerk heeft een rijk en afwisselend verleden, zo blijkt uit de beschrijving op de website van de parochie. Diep in de 15de eeuw werd er een kapel opgetrokken ter nagedachtenis aan een verscheiden rijke Zwollenaar. De bakstenen kapel werd in de eeuwen die er op volgde een aantal malen verbouwd, waarbij ook steeds een stuk werd aangebouwd, totdat er een eenbeukige kruiskerk was ontstaan. Deze kerk stond vlak bij de grote- of Michaëlskerk, die met de 115 meter hoge toren de trots van Zwolle vormde. Maar toen kwam de Reformatie en raakte de OLV-kerk buiten gebruik voor de eredienst. Dat duurde voort tot Lodewijk Napoleon in 1809 besloot dat de Katholieken, die kerkten in diverse schuilkerken, de beschikking kregen over de inmiddels uitgewoonde kerk. De restauratie werd provisorisch uitgevoerd totdat in 1871 pastoor O.A.Spitzen besloot om de zaak wat grondiger aan te pakken. De architect F. Cuypers verbreedde de kruiskerk met twee zijbeuken, waarmee het de titel “Basilica Minor” verdiende. Het Sint Bernulphus-gilde werd benaderd en W.F. Mengelberg kreeg de opdracht om het interieur naar de nieuwste inzichten aan te passen. Geheel in stijl met de Neogotiek werden de vloeren, wanden en plafonds beschilderd en/of van tegels voorzien. De koorbalk werd beschilderd met apostelportretten, omhoog geplaatst en voorzien van een Calvariegroep. Er kwam een Ciborie-altaar, gebrandschilderde ramen, een Maria- en een Jozefaltaar, een doopvont en een altaar met een Pieta. Alles rijkelijk van beeldhouwwerk voorzien en royaal gepolychromeerd. De aankleding van Mengelberg c.s., begonnen in 1884, was pas in 1890 gereed. Maar al in 1971 bleek het nodig om een deel van de aanpassingen weer te verwijderen. Naar de inzichten van die tijd vond men de Neogotische toevoegingen niet passen bij het Middeleeuwse karakter van het gebouw. Dus werden de zijbeuken afgebroken en de oorspronkelijke vorm van de kerk hersteld. (Eigenlijk verloor het daarmee ook de titel basiliek.) Nog tijdens die werkzaamheden ontstond er hernieuwde belangstelling voor de Neogotiek en mede daardoor bleef een groot gedeelte van het interieur van Mengelberg en het Bernulphus-gilde in tact.

Mgr.O.A. Spitzen (niet geschilderd door Schenk)

Mijn belangstelling voor dit interieur was gewekt door de periode waarin het ontstaan was. Dit was immers de tijd dat Martinus Schenk in Brussel verbleef. Tot 1884 werkte hij daar in opdracht van Mengelberg aan de kruiswegstaties voor kerken in Schagen, Kampen, Wijhe enz., maar hier zou hij niet aan hebben meegewerkt. Ik wilde weten of te zien was dat een andere schilder zijn plaats had ingenomen. Of zou hij toch ook hier hebben geschilderd?

Transept met Maria-altaar en kruiswegstaties

Zie voor deze en meer foto’s de site van de kerk

Mijn eerste aandacht richtte ik op de Kruisweg. Volgens de documentatie van de kerk zijn ze geschilderd door Johann Lange uit Aken. Op het eerste gezicht lijken ze heel erg op de staties van Schenk die ik gezien heb. Toch zijn er een aantal opmerkelijke verschillen. Niet wat betreft de compositie, want die zullen wel gemaakt zijn naar dezelfde ontwerpen waarnaar ook Schenk moest werken. De verschillen zit vooral in de opvatting van de kleding. Deze Johan Lange heeft zich meer frivoliteiten veroorloofd. Het is minder Gotisch dan ik van Schenk gewend ben geraakt. In de Vituskerk in Hilversum zijn de staties van een ander Gildelid, Anhonie Brouwer. Zijn staties zijn ronduit Barok, hiermee vergeleken. Ook zijn de staties hier in de transepten van de kerk opgehangen als een fries aaneengesloten. Terwijl in 1888 er in het Gilde een felle discussie is gevoerd over het ophangen van staties, waarbij het als een noodzaak werd gezien dat de priester langs de kruisweg moet kunnen bewegen en bij iedere statie afzonderlijk moet stilstaan voor een gebed. Nog afgezien van nummering en of kruisjes die wel of niet moeten zijn aangebracht, vraag ik mij af of dit de goedkeuring van Van Heukelum heeft kunnen wegdragen. Ook de beschildering van de panelen van het Jozef-altaar lijken mij niet van de hand van opa Schenk al kan ik nergen een signatuur ontdekken die dat zou kunnen bevestigen. De apostelen op de apostelbalk zijn te primitief geschilderd om ze aan Schenk te kunnen toeschrijven (hoewel de afstand vrij groot is en ik geen verrekijker bij mij heb). Nee Martinus Schenk heeft geen bijdrage geleverd aan dit interieur, is mijn conclusie.

Drie staties nader bekeken

Nu realiseer ik mij dat hij vanaf 1884 geen opdrachten meer krijgt van Mengelberg. Zou hij ruzie hebben gekregen? Of vond Mengelberg hem niet meer zo goed? Werd hij te duur? Waarom zit hij in Brussel? Het Bernulphus-gilde verkeert in die dagen in een crisis. De bijeenkomsten worden allengs minder frequent, het Gildeboek verschijnt niet meer, Mengelberg beklaagt zich bij Mgr Schaepman dat er geen excursies worden georganiseerd, secretaris Janssen die in 1887 wordt verkozen beklaagt zich dat er ook geen verslagen meer zijn van de bijeenkomsten die nog wel doorgang hebben gevonden.

Is het daarom dat Mengelberg alles maar naar zich toetrekt. Binnen het bisdom Utrecht monopoliseert hij de hele inrichting van de katholieke kerkenbouw van Noord Nederland. Zijn atelier, in 1870 nog met vier medewerkers, groeit uit tot een bedrijf met meer dan 70 man personeel. Het schilderwerk besteedt hij altijd uit, maar in 1895 neemt hij een schilder in dienst, Nicolaas Poland, waardoor er voor Schenk helemaal niets meer overschiet dan zijn eigen markt bedienen.

Geplaatst in Geen categorie | Plaats een reactie

Biografie – Kerstmis in Brussel

Hoogmis op 1ste kerstdag 1881. Martinus was samen met Jan, Marie, Henriëtte, Anna en Jeane naar de Sint Barbarakerk in Molenbeek gelopen. De kerk was mooier dan de noodkerk in Schaarbeek. Bovendien is Kerstmis een mooie gelegenheid om oude kennissen te ontmoete. Stien was bij moeder gebleven om een oogje op de kleine Pierre te houden, want Christina was op bed gebleven. Bovendien kon Stien de vroedvrouw waarschuwen als de bevalling op gang zou komen. De gedachten van Martinus in de kerk dwaalden dan ook geregeld af naar de toestand thuis, terwijl de kerk zich vulde met de muziek die het kerkkoor en de organist ten gehore bracht. Toch bad hij tot God voor vrede en geluk voor zijn gezin. Maar ook knikte hij vriendelijk naar oude bekenden. Schuin voor hem zat meneer Lanckmans zijn vroegere buurman. Twee rijen daarvoor zat de architect Gys en verderop zaten de schilder Ottens en zijn beide zonen waar Jan nog een tijd in de leer is geweest. Aan de dameskant herkende hij vrouw Coenen van de bakker op de hoek en daar zag hij ook de weduwe Geurickx van nummer 146 en ook mevrouw Gys met haar drie dochters. Veel andere gezichten herkende hij wel maar wist hij niet meer welke namen erbij hoorden. Toen de mis gedaan was vroeg de pastoor nog even aandacht voor de leerlingen van de Sint Barbaraschool die een toneelstukje hadden ingestudeerd voor bij de kerststal die in de Mariakapel was opgesteld. Helaas was er niets van te verstaan omdat de kinderen nauwelijks boven de eerste rijen gelovigen uitkwamen. Maar toen zij een kerstliedje inzette zong de hele kerk met hun mee. Na de mis dromde iedereen naar buiten in de miezerige decembermorgen. De waterkou dreef de gelovigen haastig naar huis, al werden er hier en daar nog wel wat handen geschut en Kerstwensen uitgewisseld. Martinus liep zwijgen naar huis terwijl de kinderen rond hem honderduit praten over wie ze allemaal gezien hadden. Terug in de Vanderlindenstraat zagen ze daar weer veel bekenden die hen staande hielden voor een praatje of om te informeren hoe het met mevrouw Schenk ging en of er nog familie uit Holland over zou komen. “Zalig kerstfeest buurman”, “Zalig Kerstfeest buurvrouw”, Groet ook uw vrouw van mij”. Eindelijk bereikten de Schenkjes hun eigen huis. Zij klopten hun natte jassen af en hingen ze te drogen over het rek in de gang. Boven in de kamer was het gezellig warm. Christina had de kachel flink opgepord en had broodjes warm gemaakt, de tafel gedekt en een grote pot thee gezet. Ook was er warme melk met anijs. Moeder Christina was opgestaan en kwam er gezellig bij zitten. Ze genoot van de verhalen van de kinderen die met rode wangetjes vertelden van de Mis, wie ze allemaal gezien hadden en brachten de hartelijke groeten over van alle bekenden. Stien sloeg een warme doek om haar moeders schouder en fluisterde haar iets in het oor. Moeder knikte en Stien ging naar beneden. Hoewel Martinus wel wist wat er aan de hand was liep hij toch even met Stien mee de trap af.

Nadat Stien terug was met de vroedvrouw  duurde het niet lang voor de bevalling opgang kwam en nog maar twee uur later kwam zij trots de kamer binnen om het kerstkindje aan de rest van de familie te tonen. “Het is een meisje en zij gaat heten: Hélène Théodore Jeanne, mooi hè”.

Geplaatst in Biografie Schenk, feuilleton | 2 reacties

Kampen

 

Gisteren, 4 december, was ik weer naar Kampen. Ik had een uitnodiging ontvangen van het kerkbestuur van de O.L. Vrouwe ten Hemelopneming om aanwezig te zijn bij de feestelijkheden waarmee het gereedkomen van de restauratie van de kruiswegstaties werd gevierd. Om 10.30 uur was er een ontvangst met koffie en gebak in de consistoriekamer. Waarbij de restaurateur Bert Slik en de stagiaires van het Cibap; Jhonie van Boeijen, Alette Wielink, Cheryl Wolders en Chantal Oving, in het zonnetje werden gezet. Daarna gingen we naar de kerk waarbij voor de gehele gemeente de restauratie werd bedacht. De staties werden gezegend. Mij liepen even de rillingen over de rug toen de priester met brede armzwaaien de schilderijen royaal met Wijwater besprenkelde. Hij maakte een rondje langs alle staties die, naar mijn idee onorthodox, op ooghoogte waren opgehangen. Je krijgt daardoor wel een heel goed zicht op de schilderijen, maar het oogt wel kwetsbaar. Toch is het heel mooi om te zien hoe die werken na bijna honderdveertig jaar een rijkdom uitstralen. Na de zegening volgde een Hoogmis met koorzang en orgelspel. Aan het eind van de dienst werden we verrast door de binnenkomst van Sinterklaas en Zwarte Piet. Zij hadden als cadeautje een Pauselijke onderscheiding meegenomen voor de heer Rob Alferink. Deze man was meer dan 45 jaar actief geweest in de parochie waarvan 25 jaar als voorzitter van het kerkbestuur. Het was onder zijn leiding dat de kerk zo voortreffelijk is gerestaureerd en waarvan de restauratie van de Kruisweg een waardige afsluiting vormde. Na de Mis was er nog koffie en werden in een informeel samenzijn de schilderijen nog eens goed bekeken.    

Jhonie en Cheryl, twee van de stagiaires.

zie ook het verslag  in de Stentor

Geplaatst in feuilleton | Plaats een reactie

Rijp en Van de Burgt

In het Nieuw Biografisch Woordenboek (NNBW) lees ik bij Conradus Leonardus Rijp de vermelding dat M.C. Schenk een portret van hem gemaakt heeft onder de titel: Duifjes Kerk. Waarschijnlijk heet het portret zo omdat Mgr C.J. Rijp van 1870 tot 1883 pastoor was van de Amsterdamse kerk  “De Duif”. Aangezien het schilderij van Schenk is gemaakt in 1903 vermoed ik dat hij zich gebaseerd heeft op het geëtste portret van P.J. Arendzen (1846-1932), dat ook in de tekst vermeld wordt. Omdat ik geen afbeelding van het portret van Rijp kan vinden is hier een andere ets van Arendzen.

Het schilderij dat Schenk van Mgr C.L. Rijp heeft gemaakt heb ik nog niet kunnen traceren.

Overigens vind ik over het schilderij uit Weert van mijn vorige post, dat de pater provinciaal waarschijnlijk Stephanus  van de Burgt heet. De Tilburgese krant meldt bij het kerknieuws in 1901 dat pater Stephanus van de Burgt is herkozen tot provinciaal in de Nederlandse provincie van de franciscaner orde. In het boek; Acht eeuwen minderbroeders in Nederland: Een Oriëntatie, van Johannes Antonius de Kok, staat dat pater Stephanus van de Burgt provinciaal was van 1895 tot 1904. Volgens een bidprentje in de collectie van Atlasblau van het Leids Archief is deze pater gestorven op 25 oktober 1904. Ik neem dus aan dat de afgebeelde persoon op het schilderij Stephanus van de Burgt is.

Geplaatst in feuilleton | Plaats een reactie