Wat is dit?

In mijn onderzoek naar leven en werk van Pieter Codde kan ik niet voorbijgaan aan dit “schuttersstuk” van Frans Hals, dat naar verluid is voltooid door Codde, nadat Hals er de brui aan had gegeven vanwege het vele reizen van Haarlem naar Amsterdam.

magere compagnie

De info van het Rijksmuseum, waar het hangt naast de Nachtwacht van Rembrandt, suggereert dat het linker gedeelte voornamelijk door Hals is geschilderd en het rechter deel voornamelijk door Codde. Op dat linker deel staat een vreemde figuur (de meeste geportretteerden zijn naamloos). Vooral de houding van deze man (vierde van rechts) komt mij vreemd voor. De pose doet mij wel denken aan een man die voorkomt op sommige van Codde’s genreschilderijen met vrolijke of musicerende gezelschappen. Maar hier houdt hij met zijn rechterhand een voorwerp vast, waardoor zijn elleboog op een onnatuurlijke manier naar buiten is gedraaid. Bovendien is zijn hoofd met de lichtere huidskleur geforceerd naar links gewend en is zijn linker voet wat lang naar mijn idee..

figuur uit de magere compagnie
Ik heb nog veel vragen over dit schilderij. Voor die vragen ben ik te rade gegaan bij het Rijksmuseum. Maar die kunnen of willen mij daar geen antwoord op geven. Wel verwezen ze mij naar dr. Anna Tummers, een van de conservatoren van het Frans Hals Museum in Haarlem. Zij is echter onbereikbaar. Dat is jammer, want twee jaar geleden is er naar dit schilderij uitgebreid (Röntgenologisch) onderzoek gedaan, vooral om vast te stellen wat de inbreng van ieder van de schilders is geweest.

Voor één vraag roep ik de hulp van mijn lezers in.
Wat heeft bovenstaande figuur in zijn hand? Waarschijnlijk is het een van de “kokers” die aan zijn riem zijn gehangen.

Goede oplossers verdienen een flinke beloning (maar ze krijgen slechts mijn dankbaarheid).

 

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie, kunst | 1 reactie

Pieter Jacobsz Codde (2)

Ik kom nog even terug op het schilderij bij mijn vorige post.
Dat schilderij is gebruikt als een voorbeeld van genreschilderkunst uit de vroege 17de eeuw in: Tot Lering en Vermaak, door E de Jong (1976). De auteur schrijft in hoofdstuk 12 over Pieter Codde (1599-1678) bij het schilderij:
Gesprek over de kunst, Paneel, 43 × 56,5 cm, Parijs, Fondation Custodia (verzameling F. Lugt), Institut Néerlandais.
atelier kunstenaar en klant
“Dit schilderij is geïnterpreteerd als de weergave van een gesprek in een atelier tussen een schilder-tekenaar en een kunstliefhebber, dat handelt over de overeenkomst tussen natuur en kunst en over de juiste proporties in de kunst. Diverse elementen in de voorstelling horen zonder meer in een atelier thuis, zoals de tekenboeken en schetsbladen, de panelen en kleine beeldhouwwerken. Op de tafel liggen echter ook een viool en een luit en dat zijn voorwerpen die uiteindelijk buiten de directe benodigdheden van de beeldende kunstenaar vallen. Deze muziekinstrumenten hebben hier dan ook een overdrachtelijke betekenis.”
Maar in “Iets over Pieter Codde en Willem Duyster” A. Bredius in Oud-Holland jaargang 6 (1888) vind ik een inventarislijst uit 1623 van het atelier van Codde. Daarin wordt melding gemaakt van  o.a. prenten, tekeningen, gipsen beelden, een Luit en een viool.

Toch gaat de auteur van Tot lering en vermaak, er van uit dat hier een zinnebeeldig verhaal wordt verbeeld. Dat zou goed kunnen, maar ik denk dat Codde hier een staaltje van zijn kunnen wilde laten zien en ook een soort dubbel-zelfportret. Mogelijk heeft hij zichzelf en profiel weergegeven en zijn vriend en collega Willem Duyster en face. (Andersom lijkt logischer, maar de houding suggereert dat niet.)
Een aantal kunsthistorici, zich baserend op de beweringen van Ch.M. Dozy, denken dat Duyster een leerling was van Codde. Gezien het feit dat ze nagenoeg even oud waren acht ik dat onwaarschijnlijk.
Dozy haalt een zin aan uit een aangifte van mishandeling (Duyster is door Codde met een aarden kruik en een tinnen beker in het gezicht geslagen en verwond).
In die aangifte bij de schout beweren Duyster en getuigen dat er een ruzie ontstond tussen Duyster en Codde nadat Duyster Codde uitdaagde tot een duel. Codde beweerde  dat Duyster ooit zijn vriend was. Kennelijk had de ruzie een oudere oorzaak. Want Duyster ontkende de vriendschap en noemde Codde een schelm als hij niet zou komen opdagen voor een duel met de “wackere pedarm” (= een kort zwaard).
Dozy trekt juist uit het ontkennen van de vriendschap de conclusie dat Codde dus Duysters leermeester was, maar ik vind dat veel te dun.
In haar scriptie “Soeckende Verwerf Ick” trekt ook drs. Philippine de Witt een leraar – leerling relatie in twijfel.
Dat Codde en Duyster elkaars werk goed kende spreekt uit de vele voorbeelden van overeenkomst in onderwerp en opvatting in hun beider werk. Zij kenden waarschijnlijk het werk van Brouwer, Steen en Hals. Vooral het werk van Dirk Hals (de jongere broer van Frans Hals), die maar een jaar of vijf ouder was dan de twee kemphanen, heeft veel overeenkomsten met dat wat zij maakten. Hoewel ook Codde nog veel navolgers heeft gehad is zijn naam bijna twee eeuwen in vergetelheid geraakt.

Wordt vervolgd …

Geplaatst in Geen categorie, genealogie, kunst | Een reactie plaatsen

Pieter Jacobsz Codde

“De familie Codde was een van de meest vooraanstaande families in de zestiende en zeventiende eeuw. Haar vader was de destijds beroemde kunstschilder Pieter Codde die een leerling was o.a. van Frans Hals.”, schreef ik enthousiast in mijn stukje over Maria Codde, een van de voorouders in de genealogie van mijn oma De Vries. Maria Codde was getrouwd op 5 februari 1666 met de “Cruydenier” Frederik Bloemaert (1637-1716). Later was zij vooral de vrouw van de lakenhandel en wasblekerij (erfenis van haar vader, “de beroemde kunstschilder ??”).
Ik baseerde mijn bevindingen op een artikel in de Dietsche Warande, jaargang 10 (1874) van de auteur J.A. Alberdingk Thijm.
Jozef Alberdingk Thijm is iemand van het hoogste gezag, gezien zijn reputatie als dichter, kroniekschrijver en vader van Lodewijk van Deijssel (Karel Alberdingk Thijm), die een vriend was van de door mij zo bewonderde Godfried Bomans. (Voor de jeugd: De laatste was een humoristisch schrijver, columnist en tv-persoonlijkheid uit mijn jonge jaren.)
Deze Jozef Alberdingk Thijm was ook een van de voorlieden van de emancipatie van de Katholieken in de 19de eeuw. Vooral door dat laatste had ik gewaarschuwd moeten zijn. Want zoals ik nu denk, was het artikel vooral geschreven uit oogpunt van katholieke propaganda. Ik ontdek, dat Thijm al vrij snel werd gecorrigeerd, als het om feitelijkheden gaat, door de Amsterdamse archivaris Ch.M. Dozy. Deze plaatste in 1884 een artikel in de 2de jaargang van Oud Holland waarin hij de feiten in Thijms genealogie van de familie Codde corrigeerde en onderbouwde met gegevens uit het Amsterdamse Gemeentearchief.
Dozy constateerde dat Thijm een aantal van de leden uit de familie Codde met elkaar had verwisseld en ook enkele familieleden had verzonnen, waarschijnlijk omdat hij graag wilde dat de dichter en de schilder tot hetzelfde roemrijke Katholieke geslacht zouden behoren en hij zijn genealogie sluitend wilde maken.
Na bestudering van de in de archieven beschikbare gegevens (voor zover mij dat als amateur mogelijk is), kom ik tot de conclusie dat zowel Thijm als Dozy er op een paar essentiële punten naast hebben gezeten.
Het gaat (wat mij betreft) daarbij vooral over de kunstschilder Pieter Jacobs Codde (Thijm besteed vooral veel aandacht aan de in zijn ogen veel belangrijkere dichter Pieter Adriaens Codde, maar daarover later meer).
Volgens Thijm is de schilder Pieter Codde de vader van Pieter Codde, de bisschop van Sebaste, en dus ook van diens zuster, ”onze” Maria Codde, die getrouwd was met Frederik Bloemert. Maar De schilder heet Pieter Jacobs Codde, hetgeen wil zeggen dat deze Pieter een zoon was van een Jacob Codde. Dozy toonde aan dat de bisschop Pieter Codde en Maria Codde kinderen waren van een andere Pieter Codde, een die de zoon was van Maerten Codde en dus Pieter Martens Codde heette.
Dozy schrijft dat de schilder stamde uit een “arme familie” en “boven zijn stand huwde met Marritje Arents Schilt”. De naam Schilt wordt niet vermeld in de ondertrouw-akte, maar Dozy voegt dat toe omdat haar vader in de archieven voorkomt als de hoedenmaker of hoedenbekleder Aerent Schilt uit de Warmoesstraat. (Zijn achternaam Schilt of Schild heeft vermoed ik te maken met de gevelsteen in het huis waar hij destijds woonde.) Nu vraag ik mij af of een hoedenmaker van een hogere stand is dan een binnenschipper met als extra verdienste de functie van “paalknecht”.
huwelijk pietr jacobs codde 21-10-1623 copy
Aantekening in het ondertrouwregister van Amsterdam 21 oktober 1623

De schilder Pieter Jacobs Codde was later “in goeden doen” en woonde in de Sint Antoniesbreestraat vlakbij Rembrandt van Rijn en naast Pieter Potter, ook een schilder en vader van de beroemd geworden Paulus Potter. In 1636 zijn Pieter en Marritje gescheiden (officiëel wegens ontrouw van Marritje en volgens overlevering is zij na de scheiding ingetrokken bij buurman Potter). Voorafgaand aan de scheiding is er een inventaris van de boedel gemaakt, die is vastgelegd door een notaris en waarvan de lijst nog bewaard wordt in het Amsterdams Archief. Die lijst geeft veel informatie over de situatie waarin Pieter Codde zich in 1636 bevond.
Zo lezen we dat hij in de zijkamer zestien schilderijen had hangen. Een aantal waren van hem zelf, maar ook enkele van Jan van Goyen, Ruysdael, Swaenenburg, Anthonius Porcellus, Adriaan Brouwer, Johan van Nes, Jan Smith en van zijn vroegere vriend Willem Duyster.
Ook in zijn werkkamer zijn schilderijen, onder andere “een schuur met soldaten”. Opmerkelijk is dat daar ook mappen met prenten en tekeningen, enkele sculpturen, een luit en een oude viool , een kistje en oude lappen aanwezig zijn (precies zoals afgebeeld op zijn schilderij: “Een kunstenaar in gesprek met een kunstliefhebber”.
atelier kunstenaar en klant
Volgens Dozy verkreeg hij, “waarschijnlijk uit erfenis” kapitaal om een het huis Keizersgracht 385, met tuin en twee achterhuizen, voor fl. 5000,- te kopen. Hij vermeldt niet van wie die erfenis kwam.
Ik denk eerder dat de schilder het zelf verdient heeft, is het niet met schilderen dan toch met handel in schilderijen van tijdgenoten. Als hij een erfenis kreeg dan was het van zijn vader. Deze was dus Jacob Pietersz. Codde. Hij woonde in een huis op de Nieuwe Brug en was “paalknecht”. Dozy leidt deze gegevens af van de doopakte van een dochter van Jacob. Ook is er vermelding van de verkoop van het Paalhuisje op de Nieuwe Brug. Waar schippers hun tol (paalgeld) moesten betalen als zij gebruikmaakten van de betonning op de palen in de Zuiderzee om de haven van Amsterdam te bereiken. Uit die bron blijkt ook dat een vroege bewoner van het Paalhuisje Jacob Codde heette die zich bezighield met de beurt- en binnenvaart. Toch had Dozy ook kunnen lezen dat de vader van de bruidegom, Pieter Codde schilder, in de huwelijksakte van 1623 vermeld staat als Jacob Codde rijnvaarder (ik las aanvankelijk wijnhandelaar, maar Aron de Vries wees mij op de juiste leeswijze). Als de vader een eigen schip had, kon hij best wel vermogend geweest zijn. Bovendien had Dozy al aangegeven dat, hoewel hij ergens vermeld staat als Paalknecht, hij waarschijnlijk ook of later paalmeester kan zijn geweest (destijds een lucratieve functie),

Over de schilder/kunstenaar Pieter Codde is wel een boek te schrijven. Diverse kunsthistorici hebben sinds zijn herontdekking in de 19de eeuw over hem geschreven, maar dan altijd in relatie met andere kunstwerken uit de Gouden Eeuw en zonder kennis te hebben van zijn biografische gegevens. Vaak werden die geschriften gepubliceerd naar aanleiding van een van zijn werken die op een veiling ter verkoop werden aangeboden. Vooral na de restauratie van het schilderij Het korporaalschap van kapitein Reinier Reael en luitenant Cornelis Michielsz. Blaeuw, meer bekend als De Magere Compagnie (het schuttersstuk van Frans Hals, dat naast de Nachtwacht hangt in de eregalerij van het Rijksmuseum), waarbij duidelijk werd of was dat Hals halverwege het werk de opdracht had teruggegeven (er vanaf werd gehaald ?), waarna het schilderij werd voltooid door Pieter Jacobsz. Codde. Er is dus al veel over Codde geschreven.

magere compagnie

In 2013 verscheen de doctoraalscriptie van drs. Philippine de Wit, “Soeckende verwerf ick”. Zij verzamelde literatuur die over Codde was verschenen, maar legde zich vooral toe op de kunsthistorische vraag: wanneer is er sprake van een “groepsportret” en wanneer is het een “genrestuk”, dan wel een groep (anonieme) figuren die een illustratie vormen van het “dagelijks leven” in bepaalde kringen en/of gelegenheden. Zeer lezenswaardig. Helaas leidt die vraag in haar scriptie tot het ondergeschikt maken van leven en werk van de schilder, waardoor wij nog steeds geen goed inzicht hebben (zo dat al mogelijk is) in zijn levensloop en werk als kunstenaar van 1600 tot 1678.

Wordt vervolgd.

NB) de foto’s zijn van het Amsterdams Archief, Internet en het Rijksmuseum

Geplaatst in Geen categorie, genealogie, kunst | Een reactie plaatsen

Restauratieproject 2

En weer een schilderij gerestaureerd, ditmaal een kleintje 29x38cm (19x28cm, dagmaat).

restau 1

Aan het schilderijtje heb ik niet veel gedaan. Alleen de vergeelde vernis verwijderd. De kleine gaatjes en de spatjes goudverf, die erop waren gekomen toen het lijstje opnieuw werd geschilderd, heb ik laten zitten. Maar wel opnieuw gevernist. Het lijstje repareren was wel een hele klus, maar ik ben er redelijk uitgekomen. Het geheel ziet er weer fris en vrolijk uit. Dus wordt hij toegevoegd aan mijn verzameling van “gewone schilderijen”.

restau 2

Geplaatst in diversen, Geen categorie, kunst | Een reactie plaatsen

Vervolg: Bloemert

Ik blijf nog even in de genealogie en ik beloof u spektakel.
Nu moet u wel bedenken dat hoe verder ik terugga in de tijd, hoe meer ik aangewezen ben op speculatie.

Ik mijn vorig stukje schreef ik over de voorouder Jan Heijsterman, die zijn “zuur” verdiende centjes stak in een azijnfabriek. De generatie Heijsterman, waar mijn betovergrootmoeder toe behoorde, was in mijn ogen stinkend rijk. Toch ontdekte ik dat het familiekapitaal niet alleen afkomstig was van de handel in wijn en het maken van azijn. De eerste azijnmaker Heijsterman had al een flinke duw in de rug gekregen door de goede zaken die zijn vader deed aan het einde van de zeventiende eeuw en ook de erfenis van zijn schoonvader de drogist Cornelis Pijlendaal (1639-1689) gaf hem de mogelijkheden om te ondernemen.
Maar het grote kapitaal was vooral afkomstig van  de moeder van mijn bet-betovergrootmoeder Heijsterman. Zij heette Maria Catharina Blommert. Haar achternaam wordt op veel verschillende manieren geschreven. Behalve Blommert lees ik ook Bloemert of Bloemaert en andere varianten. Zij was een dochter van Nicolaes Bloemert, die een zoon was van Frederik Bloemaert. Onze Nicolaes Bloemert kwam uit Utrecht en was kruidenier (ik denk specerijenhandelaar), een vermogend man. Hij had een buitenplaats in Abcoude en huizen in ’s Graveland, Ankeveen, Nieuwer Amstel en diverse landerijen met wasblekerijen. Maar hij had het ook niet allemaal zelf verdiend. Een belangrijk deel van zijn kapitaal had hij door vererving verkregen via zijn vrouw Maria Codde.

3235 Pieter Codde 02

Pieter Codde, Museum Boijmans van Beuningen, Den Haag

 

De familie Codde was een van de meest vooraanstaande families in de zestiende en zeventiende eeuw. Haar vader was de destijds beroemde kunstschilder Pieter Codde die een leerling was o.a. van Frans Hals en die zelfs enkele van diens schutterstukken heeft afgemaakt als Hals zijn interesse voor het werk in een fles was kwijtgeraakt.

Maria Codde was uiteindelijk de enige erfgenaam van Pieter Codde. Naast haar vaders buitenplaatsen en hofsteden erfde zij ookzijn huizen in Amsterdam in de Kalverstraat, de Sint Antoniesbreestraat en aan de Keizersgracht. Haar vader had wel meerdere kinderen gehad uit zijn twee huwelijken, maar allen zijn kinderloos gestorven. Haar jongste broer was Pieter Codde junior, de bisschop van Sebaste (tijdens de reformatie was dat de aartsbisschop en vicaris van Holland en West-Friesland). Die broer kwam later in conflict met de paus en beticht van Jansenisme. Hoewel hij zich onderwierp aan het pauselijk gezag en naar Rome trok om zijn zaak te bepleiten werd hij toch uit het ambt gezet. Hij keerde terug naar Utrecht en werd zo de eerste bisschop van de Oud Katholieken, los van de Roomse kerk.

De schilder Pieter Codde (1599-1678) liet zijn dochter, Maria dus, trouwen met Nicolaes Bloemaert. Nicolaes was “een lid van een belangrijke schilders familie” las ik in een achttiende-eeuws boek. Daaruit trok ik de conclusie dat Frederik Bloemaert (de vader van Nicolaes) een zoon moest zijn van Abraham Bloemaert. Deze beroemde schilder was in Gorinchem geboren maar geldt als de vader van de Utrechtse School, waar hij het grootste deel van zijn leven woonde en werkte.

Maar helaas de geboorte- en sterfdatum van onze Frederik komen niet overeen met die van de beroemde Frederik Bloemaert, die net als zijn vader kunstschilder was, maar ook dichter, getrouwd met een destijds beroemde zangeres en bevriend met Joost van den Vondel.
Nee, nu denk ik dat onze Frederik een broer of neef was van de Middelburgse schilder Abraham Bloemmaert (1626-1675). Dan was zijn vader waarschijnlijk Nicolaes Blommaert, een officier in het staatse leger, die getrouwd was met Cornelia van Reynegom. Van Reynegom is in het begin van de Republiek een roemrijk en vermogend geslacht dat teruggaat naar Dirk IV van Holland onder andere uit Gouda (zie link in de NOTE hieronder).
Als rechtgeaarde katholiek koos de rijke bierbrouwer Dirk Cornelisz. van Reynegom aanvankelijk de kant van Philips II. Hij werd verbannen uit Gouda en vestigde zich in Naaldwijk. Nazaten van de familie vinden we terug in Brussel en  Mechelen. Maar later ook en vooral in Middelburg in Zeeland. Philippe van Reynegom (de vader van Cornelia en een belangrijk jurist) vestigde zich in Utrecht. Of Cornelia’s man Nicolaes Bloemaert familie was van de Middelburgse schilder Abraham Blommaert heb ik niet kunnen vaststellen, maar dat ligt een beetje voor de hand. Ook in Amsterdam woont een schilder Abraham Bloemert (afkomstig van Middelburg), maar die is veel jonger dan onze Frederik Blommert, de man van Maria Codde.
Het is u nu vast gaan duizelen met al die namen.

Daarom hier een stamlijst:

Ik begin bij mijn oma De Vries en vermeld alleen de geboortedatum van de betreffende ouder en het beroep van de man.

Cornelie Eerdmans (1881) getrouwd met Maurits Leonard de Vries (beambte bij De Bataafse). Dochter van:
Wilhelmina Frederika Arendsen Hein (1856) en Augustinus J.A.F. Eerdmans (koloniaal ambtenaar). Dochter van:
Anna Cornelia Dickelman (1839) en George Hendrik Arendsen Hein (suikerfabrikant). Dochter van:
Jean Henry Dickelman (1789) en Anna Cornelia Kraijenhoff (koloniaal ambtenaar – ass. resident). Zoon van:
Christina Maria Heijsterman (1741) en Jean Henry Dickelman (wijnhandelaar). Dochter van:
Maria Catharina Bloemert (1721) en Johannes Gerardus Heijsterman (azijnfabrikant). Dochter van
Nicolaes Bloemert (1683) en Catharina Pronk (lakenhandelaar en wasbleker).
Zoon van:
Frederik Bloemert (1637) en Maria Codde (“kruidenier” en wasbleker).
Zoon van
Nicolaes Bloemmaert (ca.1612) en Cornelia van Reynegom (Kapitein Cavalerie, grootgrondbezitter en handelaar ?).
Enz enz enz.

U zag hoe het kapitaal zich had opstapelt tot halverwege negentiende eeuw. Vanaf die tijd vindt er een homeopathische verdunning plaats. Hoewel, ik heb mijn huis kunnen aanbetalen met de erfenis van mijn oma De Vries-Eerdmans.

NOTE 1: Rectificatie. Later zal ik nogmaals aandacht besteden aan deze afstamming, want er blijken nogal wat fouten in te zitten.
Dus let op: De schilder Pieter Codde HOORT NIET in deze genealogie.

NOTE 2: Hier nog een link naar het wapenboek van aanzienlijken van Zeven Provinciën uit 1772 met de genealogie van Van Reynegom (zie 16de generatie).
https://books.google.nl/books?id=zenBLGCXe6IC&pg=RA4-PA18&lpg=RA4-
PA18&dq=corneille+van+reynegom&source=bl&ots=IHywvfGWAS&sig=ACfU3U3_5I1P9gSTAIOmTaOuUgP8TQfjGg&hl=nl&sa=X&ved=2ahUKEwjCwdiwhqfhAhXPhrQKHQpjDQwQ6AEwBHoECAgQAQ#v=onepage&q=corneille%20van%20reynegom&f=false

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | Een reactie plaatsen

Zuur

Dit wordt een zuur stukje, u bent gewaarschuwd.
Het begint bij mijn vorige post, waarin ik beschreef welke zaken er zoal werden verkocht toen een van mijn voorvaderen was overleden. De man heette Johannes Gerardus Heisterman. Nu weet ik dat hij is geboren rond 1722 in een huis aan de Leidsegracht in Amsterdam. Hij was zoals we zagen een vermogend man. Hoe rijk hij was heb ik niet kunnen achterhalen, maar in de archieven van Amsterdam zijn stukken terug te vinden over de verkoop van landerijen in Ankeveen, een buitenhuis in Abcoude en een pakhuis aan de Leidsegracht dat bekend stond als “De Heijster”.
Waarmee had deze Heijsterman zijn rijkdom verdiend? Azijn.
Heijsterman was een van de grootste azijnmakers van Amsterdam, misschien wel van Nederland.
Literatuuronderzoek leerde mij dat het zuur de man in het bloed zat.
Rond 1650 vestigt zich in Amsterdam een Johannes Heijsterman. Ik vermoed dat hij uit Duitsland kwam en na een militaire loopbaan in dienst van de Hollandse stadhouder Willem III (die ook koning van Engeland was) in Amsterdam is blijven hangen. Zijn zoon die ook Joannes heette trouwt omstreeks 1883 (ik heb geen trouwakte kunnen vinden) met Anna Swijnsberg (ook wel Sweedtsburg genoemd maar dat kan komen omdat de spelling nog heel fonetisch was en vaak in later bijna onleesbaar handschrift werd genoteerd). Zij kwam waarschijnlijk uit Groningen maar was misschien afkomstig uit het Duitse Schweinsburg. Hoe dan ook dit echtpaar kreeg vier kinderen waarvan er een binnen het jaar is overleden. Maar in 1890 overlijdt Anna en Joannes Heijsterman hertrouwt met Catharina Pijlendael, de dochter van een drogist. Of zijn schoonvader de dan dertigjarige wijnhandelaar Heijsterman bekend maakte met de techniek om een goede azijn te maken van wijn, die toch niet zo geschikt was voor consumptie, is een veronderstelling die nogal voor de hand ligt. Misschien was de drogist in goede doen en was hij medefinancier toen Joannes in 1690, bij de realisering van de Amsterdamse stadsuitbreiding, enkele percelen grond verwierf aan de Leidsegracht en de Raamstraat. Op die gronden richtte hij een azijnmakerij in. Er was in de bloeiende stad een grote behoefte aan azijn, omdat het onmisbaar was voor de conservering van voedsel en drinkwater, vooral ook aan boord van de schepen die de wereldzeeën bevoer om de Hollandse rijkdom te vergaren.
Azijn werd (en wordt nog steeds gemaakt door alcohol om te zetten door bacteriën. Die bacteriën zaten vooral in beukenhoutkrullen. Wijn en andere dranken van 12,5 procent zal door bacteriën uit de lucht ook wel verzuren, maar dat ging dan vaak verkeerd, waardoor er soms schuimvorming en vaak onaangename smaken ontstonden. Heijsterman had het proces redelijk in de hand en wist al snel een goede naam op te bouwen met de kwaliteit van zijn wijnazijn. Daarnaast bleef hij handelen in wijnen en sterke dranken die hij importeerde uit Frankrijk, Spanje en Portugal.
Zijn oudste zoon Johannes groeit op in de zaak en zal het bedrijf later dan ook overnemen. Deze noemt zijn oudste zoon ook weer Johannes en neemt hem al vroeg op in de zaak. Het bedrijf floreert en in 1740 wordt de vierde generatie Johannes Heijsterman geboren en een jaar later zijn dochter Christina (mijn voormoeder dus). Zijn zoon Johannes Theodorus komt rond 1760 in de zaak van zijn vader. Onder zijn leiding wordt de Azijnfabriek een begrip in heel West-Europa. Daarover vond ik in het Algemeen Handelsblad (Delpher KB) de volgende anekdote:
“Toen Leopold Mozart met zijn wonderkind Wolfgang op 29 januari 1766 in de Hollandse Manege aan de Leidsegracht concerteerde, moet hij, toen hij langs de azijnmakerij reed, hebben opgemerkt: „Wat ruikt het hier zuur”.
De muziekhandelaar Hummel, die de Mozarts begeleidde zou toen trots met Amsterdams chauvinisme (naar boze tongen beweren — evenals azijn een oud Amsterdams artikel) hebben geantwoord:
“We reden net langs de beroemde azijnmakerij van Heijsterman, de grootste van heel Amsterdam.”
azijnkruikje adammuseum     de kroon

Nadat Johannes Theodorus in 1795 op vijfenvijftigjarige leeftijd overleed was zijn zoon Johannes pas 15 jaar oud. Hij zette het bedrijf door met behulp van twee ooms. Maar de Franse tijd brak aan. De napoleontische oorlogen en het Continentale Stelsel maakte het hem wel heel moeilijk, ondanks dat de vraag naar azijn wel aanhield. Misschien was het ook zijn onervarenheid en ondanks dat hij een compagnon had aangetrokken kon hij toch niet verhinderen dat het bedrijf werd overgenomen door J.F. Tack, die de fabriek later omdoopte tot Azijnmakerij en Mosterdfabriek De Kroon. Dat het bedrijf nog eens honderdvijftig jaar later, in 1963, werd overgenomen door Luycks maakt het niet minder zuur.

NB.) de foto van het azijnkruikje is van het Amsterdammuseum en de oude foto van het pand van De Kroon van de Beeldbank Amsterdam (Archief Amsterdam).

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | 2 reacties

HEIJSTERMAN

Vandaag weer lekker gesnuffeld in mijn genealogie. Niet veel nieuws, maar toch een aantal onzekerheden kunnen wegnemen.

De vader van Anna Cornelia Dickelman (de moeder van Wilhelmina Frederika Arendsen Hein en dus de oma van mijn oma De Vries-Eerdmans) heette Jean Henry Dickelman (1789-1855). Hij was getrouwd met Anna Cornelia Krayenhoff waarover ik al eerder schreef. Hij was ook de assistent-resident van Krawang waarover Eduard Douwes Dekker – Multatuli zo vleiend schreef. De vader van deze Jean Henry heette ook Jean Henry Dickelman en was een Amsterdamse koopman (1756-1814), die getrouwd was met Christina Maria Heijsterman (1770-1798). Zij was de dochter van een andere succesvolle Amsterdamse koopman: Johannes Heijsterman. Als haar vader overlijdt wordt een van zijn pakhuizen (De Heijster) aan de Leidsche gracht verkocht om de boedel te scheiden. Christina is een van de rechthebbenden, maar ook o.a. haar broer Johannes Theodorus Heijsterman deelt in de erfenis. Dat Johannes Theodorus ook daarna nog goed geboerd heeft zien we, als na zijn verscheiden zijn boedel wordt verkocht. Ik lees in de Amsterdamsche Courant van 4 augustus 1795

ddd_010716567_mpeg21_p002_image (1)

Men zal op woensdag 16 augustus om 3 uur, te Amsterdam, voor de stal van wijlen Johannes Theodorus Heijsterman, in de Raamstraat, verkopen: Vijf extra fraaie zwarte merriepaarden, zijnde twee langstaarten, twee kortstaarten, extra harddravers, en een hit, een halve Kapwagen op veren, met ijzeren assen, Chinees koperen lijsten aan de kap en fraai geschilderd, een Foergon op leggende veren, ijzeren as en Chinees koperen lijsten aan de kap, een Hollandsche Chais, met ijzeren as en gevoerd met groene trijp, een Chais Romain, een Poolse arrenslee, twee priksleden, Foergon en wagentuigen met Chinees en zwart gelakt koper, arrentuigen en diverse gekleurde hoofdstellen, waaronder een paar met zilveren gespen, dek- en manenkappen ect. En hetgeen verder op de verkoopdag te zien zal zijn. Nader onderrichting bij J. de Pre & Co., in de Vijzelstraat bij de Kerkstraat. NB. In deze verkoping zal niets ingestoken mogen worden.

En een paar weken later:

naamloos

G.de Roy, P.Posthumus. P.J. van de Schley, enz. enz., makelaars, zullen op maandag 19 oktober 1795 en volgende dagen te Amsterdam voor het huis van overledene op de Leidsche gracht bij de Prinsengracht verkopen : Een propere en deftige inboedel. Bestaande uit kapitale gemaakte juwelen, fraaie gouden en zilveren zakhorloges, modern gemaakt goud- en zilverwerk, precieze galanterieën en rariteiten, extra blauwe en gekleurde porseleinen, lak-, kristal- en glaswerk, supra fijne gemaakte en onopgemaakte lijwaren, kostbare mans- en vrouwenkleren, extra schone bedden met hun toebehoren, magnifieke spiegels, luchters, branches en schilderijen, kapitale Smyrna vloertapijten, diverse kostbare meubelen in soorten en vele andere goederen meer; alles nagelaten door wijlen J.T. Heysterman.

Ik heb nog niet gevonden wie hiervan de erfgenamen waren.

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | 2 reacties