Nog een schilderij (vervolg 1A Jane Wertheim)

Jane d’Oultremont Wertheim

Deze naam had ik gelezen op het briefje achter op het schilderij van H.M. Rosenberg. Maar zoals zo vaak had ik het handschrift verkeerd gelezen. Nu ik het weet, zie ik het ook wel, maar ik was op het verkeerde been gezet door de hoofdletter T die boven haar achternaam is geschreven.naam van schenkster van de Rosenberg aan dokter G PetersenOnder andere uit een archiefkaart van het Archief Amsterdam blijkt, dat het gaat om de dame die daar geregistreerd staat als de weduwe Geertruida Jacoba Dodemont.
Zij is geboren op 11 april 1877 in Den Haag en aldaar overleden in 1958. Haar ouders zijn Willem Frederik Dodemont en Antonia Geertruida Wilhelmina den Hartog. Zij had twee zusters: Adriana Margaretha Frederika Louisa (1878-1950) en Adriana Frederika Louisa (1881- 1923).
Merk op dat de twee zussen nagenoeg dezelfde namen hadden. De jongste  wordt in de advertentie hieronder (overlijden van hun vader op 9 augustus 1912) aangeduid als A.F.L.. en de oudste als A.M.F.G (de G. als laatste letter is een fout, moet een L. zijn).
Haagsche courant 1912
Volgens de Amsterdamse kaart is Geertruida op 24 oktober 1914 in Parijs gehuwd met Jacques Henri Maurice Wertheimer (geb. Boekarest, 22 november 1852). Haar echtgenoot overleed op 23 november 1914 in Parijs. Die trouwdatum kan niet kloppen, want in de advertentie bij het overlijden van de vader op 9 augustus 1912 wordt zij vermeld als G.J. Wertheimer, geb. Dodemont en hij als J. Wertheimer te Parijs.

Volgens dezelfde kaart uit Amsterdam kwam zij op 7 november 1938 vanuit Parijs naar Amsterdam en was pensionhoudster in de Anthonie van Dijckstraat. Inderdaad (blijkens onderstaande advertentie in het Alg. Handelsblad van 3-11-1938 – zie Delpher.nl) nam zij “Het Tehuis voor Studerende Dames” in de Anth. van Dyckstraat 5” over van Mej. Dorothea Barbé.
3nov 1938 Alg Hlblad

Merk op dat zij zich hier J. Wertheimer noemt. Zij hanteerde als voornaam dus Jane. Onduidelijk is hoe zij haar naam uitsprak (Frans of Engels). Zou zij zich Jeanne hebben laten noemen en schreef zij het als Jane? In de ondertekening van het briefje voor dokter Petersen staat: Jane Dodemont Wertheimer. Omdat Dodemont haar meisjesnaam is, zou je verwachten dat ze Wertheimer-Dodemont zou schrijven. Maar zij doet het op de Franse en/of Amerikaanse manier (dus de naam van de man achteraan)
.
Nog steeds volgens de archiefkaart verhuisde zij op 16 augustus 1951 naar het Klimophuis aan de Sophialaan 43, maar op 19 september 1951 ging zij naar Huize Tabitha in Wassenaar, waar zij zeven jaar later (in 1958 dus) is overleden.

Nu weet ik wie degene was die het schilderij in bezit had voordat het bij dokter Petersen terecht kwam. Maar, het schilderij is (volgens mijn reconstructie) in 1889 of 1890 verkocht door de kunsthandel/lijstenmaker MacBeth in New York. Was de koper misschien Jacques Henri Maurice Wertheimer, de man van Jeanne Dodemont (Geertruida Jacoba, zich noemende Jane), geb. Boekarest, Roemenië, 22 november 1852.? Wie of wat was deze Jacques Wertheimer? Wat deed hij in Amerika? Was hij daar dan voor langere tijd of was het een (zakelijk) bliksembezoek?

De naam Wertheimer duidt op een van de vele Joodse families die over de hele wereld verspreid zijn geraakt.
Beroemd is de tak waarvan stamvader Ernest in 1870 vanuit de Elzas naar Parijs trok. hij kwam uit een familie die recepten voor schminck/make-up exploiteerde. Zijn zoon Pierre was in Parijs een van de oprichters van het bedrijf dat het merk Bourjois voerden en dat later in alliantie met Coco Chanel verantwoordelijk was voor het succes van Chanel no 5. In America maakte het bedrijf, dat inmiddels geleid werd door enkele van zijn zonen, o.a. de producten van Helena Rubinstein. Een van die zonen was een Jacques Wertheimer, die vooral bekend is als paardenstaleigenaar/fokker, die vele paardenraces op zijn naam schreef. Maar dat was niet de man van Jane, want die was wel tachtig jaar eerder geboren.
Een andere tak speelde een prominente rol in Londen, Engeland, vooral als kunsthandelaren. De stamvader is hier de Duitse kunsthandelaar Samson Wertheimer. Zijn zoon Asher werd in Engeland geboren en trouwde met Flora, de dochter van een indertijd beroemde Engelse kunsthandelaar. Deze Wertheimers waren niet rechtstreeks verbonden met de vorige tak.
Onze Jacques Wertheimer was geboren in Roemenië. Daar woonde in de vorige eeuw ook een Jacques Wertheimer, die beroemd geworden is als postzegelverzamelaar. Van hem en zijn familie heb ik niets kunnen vinden, maar wel dat hij enkele boeken heeft geschreven over filatelie. Ook was zijn verzameling beroemd en bevatte enkele unieke stukken. Hij wordt vermeld als J. Wertheimer- Ghika

Nee, ik zal mij erbij moeten neerleggen dat we weinig meer te weten zullen komen over Jacques Henri Maurice Wertheimer, behalve dan dat hij zijn weduwe niet onbemiddeld heeft achtergelaten, nog afgezien van het schilderij van Rosenberg uit New York.

Advertenties
Geplaatst in diversen, Geen categorie, kunst | Een reactie plaatsen

Nog een schilderij (vervolg 1B -Dokter Petersen.)

Mijn schilderij van Henry M. Rosenberg heeft dus ooit gediend als blijk van waardering en dankbaarheid voor de goede zorg welke dokter G. Petersen besteedde aan zijn patiënte Jane Wertheim. Wie was deze dokter Petersen? Nasporingen verlopen moeizaam, maar toch ben ik via diverse digitale kanalen het een en ander over hem te weten gekomen.

Hij werd op 16 augustus 1910 in Leeuwarden geboren als zoon van Gerrit Willem Petersen en Bertha Heuvelink. Hij kreeg bij zijn inschrijving in het geboorteregister van Leeuwarden als voornaam Garrit, genoemd naar grootvader van moeders kant (een later broertje werd gewoon, net als zijn vader, Gerrit genoemd). Die vader was opgeleid tot leraar Boekhouden en was later als beambte en accountant werkzaam bij een levensverzekeringsmaatschappij, eerst in Apeldoorn (waar zijn oudste broer en zus ter wereld kwamen), dan in Leeuwarden (waar hij dus en nog twee kinderen werden geboren). Toen in 1928 het gezin terug verhuisde naar Apeldoorn, bleef Garrit nog een jaar in Leeuwarden om zijn middelbare school af te maken. Hij woonde toen bij zijn oudoom de dominee Dirk Zoete, een broer van oma Petersen die Akke Zoete heette Na zijn eindexamen kreeg hij twee maanden vakantie, die hij doorbracht bij zijn ouders in Apeldoorn. Daarna ging Garrit naar Amsterdam om aan de universiteit aldaar medicijnen te studeren. Zijn propedeuse haalde hij in 1930. Toch duurde het nog tot 1938 dat hij het eerste gedeelte van zijn artsen diploma haalde. Na enkele coassistentschappen studeerde hij af en op 20 december 1939 werd hij bevestigd als arts. Zijn eerste praktijk als huisarts was in Wormerveer in de Stationsstraat 5. Op 2 februari 1940 was hij getrouwd met Hendrina Annetta Willemsen, de lieve dochter van het schoolhoofd in Lunteren (bij Ede). Zij was vijf jaar ouder dan hijzelf en wist van aanpakken. Zij hielp hem geweldig bij het opzetten van de praktijk. Maar de oorlog brak uit en de sfeer werd erg gespannen in de Zaanstreek. Daarom ging hij al na twee jaar terug naar Amsterdam. Hij nam daar de praktijk over van dokter Bouman op het adres Van Baerlestraat 75. Het is dan september 1942. Het zal in die donkere oorlogsjaren geweest zijn dat hij de zorg voor mevrouw Jane d’Oultremont-Wertheim op zich nam. Ik vermoed dat zij een joodse achtergrond had en zich dus bewust van de gevaren die zij liep en hij ook. Daarom zal zij haar dankbaarheid hebben willen uitdrukken door hem het schilderij te geven waarnaar hij af en toe bewonderend had gekeken. Ik heb niet kunnen vinden wat er met Jane is gebeurd en of ze de oorlog heeft overleefd. Garrit heeft de praktijk draaiende kunnen houden al werd hij op gezette tijden wel vervangen door een waarnemer.
In 1947 werd hij opgeroepen om alsnog aan zijn militaire dienstplicht te voldoen. Zijn prakrijk aan de Van Baerlestraat doet hij over aan een collega, C. Westerbeek, nadat hij op 1 oktober 1947 een nieuwe praktijk was gestart in een mooie halve villa in het museumkwartier, Harmoniehof 69. Hij is dan al zeven jaar getrouwd en er zijn kinderen geboren, want ik vind een advertentie van zijn vrouw waarin zij hulp in de huishouding zoekt, in het gezin met vier kinderen.
Het Parool 12 mei 1948
Hoe hij dat combineerde met zijn militaire dienst weet ik niet. Na de basisopleiding wordt hij als vaandrig/arts ingedeeld bij de geneeskundige troepen. Toch heeft hij zijn eigen dokterspraktijk zeven jaar draaiende gehouden. Zijn persoonskaart in Amsterdam vermeldt, dat hij in september 1954 vertrokken is naar Werkendam, Rijksstraatweg 86. Toch zal hij kort daarna weer zijn verhuisd, dan naar Hoevenlaken en is hij werkzaam bij de schoolartsendienst voor de Noord-West Veluwe. Hij doet op de Veluwe onderzoek naar afwijkingen in lichaamsbouw bij kinderen. Dat onderzoek lijdt tot een proefschrift, met als titel “Beoordeling van het somatotype bij kinderen”, waarop hij in 1959 promoveert. Als schoolarts haalde Petersen nog eens de landelijke pers naar aanleiding van de “bibberziekte”.

Dit stond in het Algemeen Handelsblad van 26 november 1960

bibberziekte klik hier of zie bijlage hieronder

Nog dagen schreven tientallen kranten hierover, maar ik heb nergens kunnen vinden wat de oorzaak geweest is. In een interview zij dokter Petersen: “Ik heb wel een vermoeden, maar we moeten de onderzoeken eerst afwachten.”
Dat doen we nog steeds.

Ik heb niet kunnen vinden hoe het verder is gegaan met de schoolarts Petersen op de Veluwe. Wel vond ik een annonce van zijn overlijden in Purmerend op 10 juli 1985. Hij woont dan in het flatgebouw De Purmer dat in 1976 is gebouwd. Ik vermoed dus dat hij daar is gaan wonen na zijn pensionering (in 1975 is hij 65 jaar geworden). Onduidelijk is waarom hij koos voor Purmerend. Al is dat wel de periode dat Amsterdam “overloopt”. Zelf ben ik in die tijd ook uit Amsterdam vertrokken.
Toch heeft het schilderij (als het al telkens met hem meeverhuisd is) na zijn dood in 1985 nog vierendertig jaar rondgezworven alvorens het in 2019 in Bovenkarspel in de kringloopwinkel belandde.

 

BIJLAGE – Het artikel over de bidderziekte:

Vreemde ziekte te Voorthuizen geconstateerd
MEDICI STAAN VOOR EEN RAADSEL
(Van een onzer verslaggevers)
Voorthuizen, 26 nov. 1960
Op de Wilhelminaschool te Voorthuizen is een diepgaand onderzoek ingesteld in verband met het feit, dat bij de leerlingen bijzonder vreemde ziekteverschijnselen zijn geconstateerd. In een klas vielen zo maar tien leerlingen plotseling in een diepe slaap. Vorige week donderdag deden zich de eerste verschijnselen voor. “Jullie hebben zeker weer te laat naar de televisie gekeken, slaapkoppen!” Zo sprak een verstoorde heer J. S. Botter, onderwijzer van de derde klas aan de christelijke lagere Prinses Wilhelminaschool te Voorthuizen, die dag. Enkelen van zijn leerlingen waren nl. midden onder de les zonder aanwijsbare redenen in slaap gevallen. De volgende dag echter bleek, dat de televisie allerminst schuldig was aan deze slaperigheid. De kinderen, tien tot twintig in getal, konden ook al niet meer goed schrijven. Hun handen trilden zo erg, dat het schrift volkomen onleesbaar werd. Enkele kinderen bibberden over hun gehele lichaam, allen klaagden over loomheid, moeheid en vertoonden andere bewegingsstoornissen. Ook deed zich een jeukende huiduitslag voor. Na overleg met het hoofd van de school, de heer R. van Beek, werd de schoolarts van het district Nijkerk, dr. G. Petersen gewaarschuwd. Deze stond voor een mysterie en waarschuwde op zijn beurt de hoofdinspectie voor de volksgezondheid in Den Haag. Drie specialisten van de inspectie zijn daarop naar Voorthuizen gekomen en hebben het klaslokaal laten ontruimen. Er werden luchtmonsters genomen, alle gasleidingen werden gecontroleerd en de centrale verwarming werd nagezien. En de kinderen werden uiteraard grondig ondervraagd: de mogelijkheid was niet uitgesloten dat zij bedorven eetwaren of bijv. met insecticiden bespoten vruchten hadden gegeten, of gezamenlijk iets hadden uitgevoerd wat mogelijk schuldig kon zijn aan de vreemde ziekte. De ziekte deed zich alleen voor bij de leerlingen van de derde klas; dezen kwamen echter uit verschillende milieus. Enkele schriftmonsters werden voor onderzoek naar een grafoloog gezonden. Tot op heden staat men echter voor een raadsel. Is de bibberziekte te wijten aan een besmettelijke virus, aan vergiftiging…? Niemand weet het. Sinds vorige week donderdag toen de verschijnselen begonnen, zijn twintig kinderen ziek geweest. Vier daarvan werden zo ernstig getroffen dat zij moesten thuisblijven. De overigen bleven de school normaal bezoeken. Gisteren waren nog zes of zeven kinderen ziek. De rest is alweer genezen en heeft ogenschijnlijk geen nadelige gevolgen ondervonden. Gistermiddag heeft een hoogleraar in de neurologie uit Nijmegen een onderzoek Ingesteld. Het klaslokaal wordt nog steeds niet gebruikt, de lessen worden nu in de hal van de school gegeven. Een van de jongetjes die gisteren nog thuis was gebleven, is Fransje Scheltinga aan de Jan de Jagerweg. Het knaapje was ogenschijnlijk heel monter, maar klaagde nog over hoofdpijn. Op verzoek schreef hij graag zijn naam eens neer: hij deed zijn best, maar beefde als een oud mannetje. De moeder van een ander jongetje, mevr. Witteveen, vertelde: ,,Eerst geloofde ik niets van die verhalen, maar Dickie was een paar dagen lang niet te hanteren en hij trilde bij het eten. Hij was nota bene onder de zangles in slaap gevallen. Stel je voor, veertig kindertjes schreeuwen en Dickie slaapt! Ook had hij uitslag op de benen. Maar Dickie ging ’s avonds naar gymnastiekles en kwam fit terug. “Als ik wéér bibber, dan ren ik maar een beetje”, zei hij. De meest merkwaardige visie van alle Voorthuizense moeders had mevr. Meylaard, Jan de Jagerweg 47. Zij zei: „Laten wij toch ophouden met die onzin. Weet u wat het is? Een georganiseerde schoolziekte. De kinderen nemen ons te pakken. Mijn Yolanda bibberde ook, maar toen zij een pak op haar broek had gekregen van mijn man (vader is kapitein bij de landmacht, red. Alg. Hbl.) ging het over. Die kinderen simuleren en des te meer er over de radio wordt gezegd, en in de kranten wordt geschreven, des te méér plezier die kindertjes hebben.”

Geplaatst in diversen, Geen categorie, kunst | Een reactie plaatsen

Nog een schilderij (vervolg1)

Zoals blijkt uit het briefje op het spieraam is het een schilderij van H.M. Rosenberg. Ik zal u de zoektocht die ik moest afleggen om daarachter te komen besparen (hoewel dat ook heel vermakelijk en leerzaam is) maar dit is wat ik over hem heb gevonden (via internet).
H.M. Rosenberg 2
Henry Mortikar Rosenberg The Young Housekeepers
olieverfschilderij op doek, 54×35,5 cm., ca 1887


H.M. Rosenberg stierf op 24 december 1947 in Citronelle, Alabama, USA. Hij was in die tijd een bekend kunstenaar, althans in sommige delen van America, maar het bericht van zijn dood kwam hard aan in Halifax, Canada. Vooral daar genoot hij grote bekendheid en veel respect. Hij was van 1898 tot 1909 hoofd van de Victoria School of Art and Design in Halifax, het latere Nova Scotia College of Art and Design (NSCAD). Daarnaast had hij een atelier in The Tramway Building in Halifax waar hij nog lang nadat hij stopte als directeur van de academie heeft gewerkt. Hij ontving er jonge kunstenaars, die hij begeleidde en van goede raad voorzag. Ook was hij in 1910 een van de oprichters van het Nova Scotia Museum of Fine Arts (nu Art Gallery of Nova Scotia), dat een veertigtal werken van hem bezit.

Henry werd geboren in 1858 in New Brunswick, New Jersey, USA. Rond 1868, als Henry een jaar of tien is, verhuist het gezin naar Chicago, waar hij opgroeide en in 1874 aan zijn kunstzinnige opleiding begon. Na vier jaar vervolgde hij zijn studie in Europa: München, naar verluid bij Frank Duveneck, met wie hij door Europa reisde. In Venetië (1880) volgde lessen bij James A. MacNeill Whistler , aan wiens invloed hij zijn leven lang trouw bleef. Hij keerde terug naar Chicago maar vestigde zich later (ca 1890) in New York . Daar ontmoette hij Ernest Lawson, “a fellow artist and a Haligonian by birth”. Die bracht hem in contact met James E. Roy ook uit Halifax, die hem aanmoedigde om met hem mee te gaan naar Nova Scotia. In 1897 vestigde Rosenberg zich in Dartmouth tegenover de haven van Halifax . Daar maakte hij kennis met Emilie Scarfe, “de erfgename van Dartmouth” . Na hun huwelijk op 23 november 1909 weigerde zijn vrouw om naar Halifax te verhuizen. Bovendien vond zij het ongewenst dat hij in loondienst werkte. Daarom gaf hij zijn functie als directeur van de academie op. Vervolgens maakten zij samen een zeereis rond de wereld. Terug in Canada vestigden zij zich in Edgemere, een Victoriaans landhuis boven Sullivan’s Pond in Dartmouth. Rosenberg hield zijn atelier in Halifax aan en bijna dagelijks nam hij de veerboot van Dartmouth naar de overzijde .
Zevenentwintig jaar hebben zij daar gewoon. In 1937 als zijn vrouw Emilie is overleden gaat hij terug naar Chicago in de VS. De wintermaanden brengt hij door in Citronelle, Alabama, waar hij een graag geziene gast. Hij logeerde in het Hotel Citronelle en raakte bevriend met de eigenaar. Ook was hij bevriend met dokter William A.Thomson, van wie hij een studio huurde. In december 1947 is Henry overleden in Citronelle. Veel van zijn spullen gaan naar vrienden en bekenden daar. Een aantal van zijn werken gaan naar zijn vriend en huisarts dr. Thomson. Deze schenkt het merendeel van de tekeningen, prenten en schilderijen aan het Mobile Museum of Art. Ook de Art Gallery of Nova Scotia heeft een veertigtal werken van H.M. Rosenberg in de collectie.

De voetnoten uit mijn tekst zijn weggevallen, daarom hier wat aanvullende informatie:

Henry Mortikar Rosenberg:
Zijn naam spelde hij meestal als Henry Mortikar Rosenberg, maar soms als Henry Mortecai Rosenberg. Er zijn ook andere varianten bekend (bijv. Henri, Mordechai en ook wel Roosenbergh). Zijn ouders waren Morris Rosenberg (1831-1915) en Hanna Diamond (1832-1890). Hij had twee zusters; Millie Rosenberg Adams (1859-1890) en Carrie Rosenberg Louis (1865-1946).
Frank Duveneck:
Frank Duveneck, 1848 – 1919, Amerikaans schilder die veel in Europa heeft gewerkt. Hij had in München een schilderschool met voornamelijk Amerikaanse studenten. In 1879 trok hij naar Italië, Florence en Venetië, waar hij zich aansloot bij Whistler. Rosenberg zal in zijn kielzog hebben meegereisd, mogelijk als een van de “Duveneck Boys”.
Whistler en Otto Bacher gaven zowel aan Duveneck als aan Rosenberg lessen in etsen. Bacher had zijn etspers meegenomen uit München. Zij allen woonden in de Casa Jankovitz in Venetië.
New York
In het boek over Arthur B. Davies staat dat Rosenberg in april 1892 deelnam aan de openingstentoonstelling van de MacBeth Gallery in NY nadat hij kort daarvoor van Chicago naar Manhattan was verhuist. Rosenbergs adres staat vermeld in de catalogus van de 52ste jaarlijkse tentoonstelling van de American Watercolor Society ook in 1892: 19 W 22nd Street NY (zie https://archive.org/stream/1892AWS/1892%2C%20Frick%20Library_djvu.txt 1892)
James E. Roy:
was een zakenman/kunstliefhebber lid van een vermogende familie uit Halifax, Canada. Later was hij eigenaar van de Singer Naaimachinefabriek aldaar.
de haven van Halifax:
Op de veerboot was hij getuige van de Hallifax explosie, ramp met het schip “Mont Blanc”. (zie: https://novascotia.ca/archives/explosion/narratives.asp?ID=6 )
Emilie Scarfe:
Emilie Scarfe (1856 – 1937) was de dochter van Frederick Scarfe (1828-1906), in leven een invloedrijke zakenman (eigenaar van een fabriek voor houten bouwmaterialen en –benodigdheden) en twee keer burgemeester van Dartmouth. Hij liet het landhuis Edgemere bouwen, maar heeft er nooit gewoond.

Geplaatst in diversen, Geen categorie, kunst | Een reactie plaatsen

Nog een schilderij

Over het volgende schilderij dat ik onderhanden nam, is wat meer te vertellen.
Het was een wat duurdere aanschaf bij de kringloop en er moest heel veel aan gebeuren. De afbeelding was nauwelijks te zien zo donker en vervuild als het was.
H.M. Rosenberg voor
Desondanks zag het er indrukwekkend uit en achterop vond ik twee briefjes die mij intrigeerden.

H.M. Rosenberg etiket spieraam 2    H.M. Rosenberg briefje op de lijst
U kunt het zo vast niet lezen, maar dit is wat ik na zorgvuldige bestudering er van maakte:

Briefje 1: The Young Housekeepers. H.M. Rosenberg, — W. 22nd str. NY
Briefje 2: Aan mijn zeer gewaardeerde docter G. Petersen. In herinnering aan alle goede zorgen en geduld besteed aan zijn dankbare patiënte. Jane d’OulTremont-Wertheim(er).
(NB. de handtekening is nauwelijks te lezen en zou ook heel anders kunnen luiden)

Het schilderij is niet gesigneerd maar de briefjes gaven mij genoeg houvast om te zoeken naar de achtergrond van dit schilderij.
Hier nog een foto van het schilderij met lijst na de restauratie.
H.M.Rosenberg 1
Volgende keer vertel ik wat ik allemaal te weten ben gekomen.

 

Geplaatst in diversen, Geen categorie, kunst | Een reactie plaatsen

Hobby’s

Sinds ik mijn vak niet meer uitoefen heb ik hobby’s ontwikkeld. Dat ging niet bewust, maar ontstond door mijn drang naar “bezigheden”. Toen het schilderen niet meer ging en ook het boetseren mij door de reumatische psoriasis onmogelijk werd, ben ik mij gaan verdiepen in de genealogie van mijn familie.
Daarbij kwamen zulke leuke verhalen naar boven, dat ik het niet laten kon om daarover te schrijven. Een gezonde dosis fantasie was behulpzaam om de vele hiaten in de bronnen aan te vullen. Zo ontstond mijn eerste boek: Geschenk uit het Verleden (2013, uitgever Boekscout) over mijn overgrootvader Martinus Schenk (1833-1911), die een verdienstelijk kunstschilder was, vaak in dienst van de RK Clerus, maar ook prachtige portretten heeft geschilderd.
Daarna volgde het boek: Suffridus, over een voorvader die aan het begin van de 19de eeuw heeft gediend als chirurgijn, legerarts, onder de Bataafse Republiek, daarna onder Napoleon en later onder koning Willem I en II in het Koninkrijk der Nederlanden.
Ook schreef ik artikelen over Mijn Indische Familie. Drie generaties Eerdmans die in het voormalig Nederlands Indië hebben geprobeerd fortuin te maken en/of het hoofd boven water te houden.
Later bewandelde ik ook diverse zijpaden en schreef over opvallende zaken en personen die ik “ontmoette” in de archieven die ik bezocht.
Een andere hobby, voortvloeiend uit mijn belangstelling voor het verleden, werd het bezoeken van veilingsites en kringloopwinkels. Daar vond ik nogal eens schilderijen die duidelijk niet door een grote kunstenaar waren gemaakt, maar misschien wel door iemand die net als ik probeerde om een centje te verdienen met iets wat hij of zij het fijnste vond; leuke/mooie dingen maken, natuurlijk met de ambitie in het achterhoofd dat daarmee de KUNST werd gediend en eeuwige roem werd verworven..
Die schilderijen waren vaak in erbarmelijke staat (anders veel te duur voor mij) en de hobby bestond er uit om te proberen het schilderij weer toonbaar te maken en iets van de achtergrond van de maker na te pluizen.
Op mijn weblog en facebookpagina deed ik daarvan verslag, wat weer allerlei leuke reacties opriep en nog steeds oproept.
Afgelopen zondag was ik met mijn vrouw en zoon in Edam en Volendam om van het mooie weer te genieten. Toch kon ik het niet laten om de Volendamse Kringloopwinkel even te bezoeken. Daar wees mijn zoon mij op een klein schilderijtje dat er pretentieloos maar heel charmant uitzag en hoewel er weinig aan te restaureren viel was de prijs laag genoeg om het niet te laten liggen.
Na een kleine schoonmaakbeurt en wat herstel van het gipsen lijstje, ziet het er zo uit.
volendam 3Ik weet niet wie de maker is en zal daar ook wel nooit achter komen, maar voor mij is het een Volendams landschap, gemaakt door een kunstenaar die een vlotte olieverfschets gebruikt heeft om zijn uitstapje te bekostigen.

Geplaatst in boeken, diversen, Geen categorie, genealogie, kunst | Een reactie plaatsen

Wat is dit?

In mijn onderzoek naar leven en werk van Pieter Codde kan ik niet voorbijgaan aan dit “schuttersstuk” van Frans Hals, dat naar verluid is voltooid door Codde, nadat Hals er de brui aan had gegeven vanwege het vele reizen van Haarlem naar Amsterdam.

magere compagnie

De info van het Rijksmuseum, waar het hangt naast de Nachtwacht van Rembrandt, suggereert dat het linker gedeelte voornamelijk door Hals is geschilderd en het rechter deel voornamelijk door Codde. Op dat linker deel staat een vreemde figuur (de meeste geportretteerden zijn naamloos). Vooral de houding van deze man (vierde van rechts) komt mij vreemd voor. De pose doet mij wel denken aan een man die voorkomt op sommige van Codde’s genreschilderijen met vrolijke of musicerende gezelschappen. Maar hier houdt hij met zijn rechterhand een voorwerp vast, waardoor zijn elleboog op een onnatuurlijke manier naar buiten is gedraaid. Bovendien is zijn hoofd met de lichtere huidskleur geforceerd naar links gewend en is zijn linker voet wat lang naar mijn idee..

figuur uit de magere compagnie
Ik heb nog veel vragen over dit schilderij. Voor die vragen ben ik te rade gegaan bij het Rijksmuseum. Maar die kunnen of willen mij daar geen antwoord op geven. Wel verwezen ze mij naar dr. Anna Tummers, een van de conservatoren van het Frans Hals Museum in Haarlem. Zij is echter onbereikbaar. Dat is jammer, want twee jaar geleden is er naar dit schilderij uitgebreid (Röntgenologisch) onderzoek gedaan, vooral om vast te stellen wat de inbreng van ieder van de schilders is geweest.

Voor één vraag roep ik de hulp van mijn lezers in.
Wat heeft bovenstaande figuur in zijn hand? Waarschijnlijk is het een van de “kokers” die aan zijn riem zijn gehangen.

Goede oplossers verdienen een flinke beloning (maar ze krijgen slechts mijn dankbaarheid).

 

Geplaatst in Geen categorie, kunst | 1 reactie

Pieter Jacobsz Codde (2)

Ik kom nog even terug op het schilderij bij mijn vorige post.
Dat schilderij is gebruikt als een voorbeeld van genreschilderkunst uit de vroege 17de eeuw in: Tot Lering en Vermaak, door E de Jong (1976). De auteur schrijft in hoofdstuk 12 over Pieter Codde (1599-1678) bij het schilderij:
Gesprek over de kunst, Paneel, 43 × 56,5 cm, Parijs, Fondation Custodia (verzameling F. Lugt), Institut Néerlandais.
atelier kunstenaar en klant
“Dit schilderij is geïnterpreteerd als de weergave van een gesprek in een atelier tussen een schilder-tekenaar en een kunstliefhebber, dat handelt over de overeenkomst tussen natuur en kunst en over de juiste proporties in de kunst. Diverse elementen in de voorstelling horen zonder meer in een atelier thuis, zoals de tekenboeken en schetsbladen, de panelen en kleine beeldhouwwerken. Op de tafel liggen echter ook een viool en een luit en dat zijn voorwerpen die uiteindelijk buiten de directe benodigdheden van de beeldende kunstenaar vallen. Deze muziekinstrumenten hebben hier dan ook een overdrachtelijke betekenis.”
Maar in “Iets over Pieter Codde en Willem Duyster” A. Bredius in Oud-Holland jaargang 6 (1888) vind ik een inventarislijst uit 1623 van het atelier van Codde. Daarin wordt melding gemaakt van  o.a. prenten, tekeningen, gipsen beelden, een Luit en een viool.

Toch gaat de auteur van Tot lering en vermaak, er van uit dat hier een zinnebeeldig verhaal wordt verbeeld. Dat zou goed kunnen, maar ik denk dat Codde hier een staaltje van zijn kunnen wilde laten zien en ook een soort dubbel-zelfportret. Mogelijk heeft hij zichzelf en profiel weergegeven en zijn vriend en collega Willem Duyster en face. (Andersom lijkt logischer, maar de houding suggereert dat niet.)
Een aantal kunsthistorici, zich baserend op de beweringen van Ch.M. Dozy, denken dat Duyster een leerling was van Codde. Gezien het feit dat ze nagenoeg even oud waren acht ik dat onwaarschijnlijk.
Dozy haalt een zin aan uit een aangifte van mishandeling (Duyster is door Codde met een aarden kruik en een tinnen beker in het gezicht geslagen en verwond).
In die aangifte bij de schout beweren Duyster en getuigen dat er een ruzie ontstond tussen Duyster en Codde nadat Duyster Codde uitdaagde tot een duel. Codde beweerde  dat Duyster ooit zijn vriend was. Kennelijk had de ruzie een oudere oorzaak. Want Duyster ontkende de vriendschap en noemde Codde een schelm als hij niet zou komen opdagen voor een duel met de “wackere pedarm” (= een kort zwaard).
Dozy trekt juist uit het ontkennen van de vriendschap de conclusie dat Codde dus Duysters leermeester was, maar ik vind dat veel te dun.
In haar scriptie “Soeckende Verwerf Ick” trekt ook drs. Philippine de Witt een leraar – leerling relatie in twijfel.
Dat Codde en Duyster elkaars werk goed kende spreekt uit de vele voorbeelden van overeenkomst in onderwerp en opvatting in hun beider werk. Zij kenden waarschijnlijk het werk van Brouwer, Steen en Hals. Vooral het werk van Dirk Hals (de jongere broer van Frans Hals), die maar een jaar of vijf ouder was dan de twee kemphanen, heeft veel overeenkomsten met dat wat zij maakten. Hoewel ook Codde nog veel navolgers heeft gehad is zijn naam bijna twee eeuwen in vergetelheid geraakt.

Wordt vervolgd …

Geplaatst in Geen categorie, genealogie, kunst | Een reactie plaatsen