De Vries

In mijn post over de Friesche Vleeschhouwerij ging het over de familie Marcus uit Zwolle. Daarin beschreef ik dat die slagerij in 1785 werd opgezet door de uit Leeuwarden afkomstige Isaac Mozes de Vries. Het vertrek naar Zwolle was niet onlogisch omdat zijn vrouw Willemina Cosman (later genaamd Troostwijk) daar geboren was en nog veel van haar familie daar woonde. Tot zover is alles met vrij grote zekerheid vast te stellen aan de hand van de (op internet) beschikbare documenten.
Waar anderen (waaronder mijn zoon Aron) mij op wezen was dat de afkomst van Isaac de Vries verre van zeker is.
De vader van Isaac de Vries was (gezien zijn patroniem) Mozes de Vries, die toen Isaac geboren werd in 1747 in Leeuwarden woonde. Maar wie was zijn moeder?
Er woonde in de 18de eeuw in Leeuwarden in ieder geval één Mozes de Vries. Deze was gehuwd met Trijntje Yzaks, die ik in mijn stukje noemde als de moeder van Isaac. Maar klopt dit wel? Vader Mozes stond bekend als Mozes Isaac de Vries Jaffe en was slager van beroep. Het kan dus heel goed zijn dat hij zijn oudste zoon vernoemde naar zijn vader, die waarschijnlijk (gezien zijn patroniem) Isaac heette.
Redelijk goed gedocumenteerd is de afkomst van Frouwke/Fraatche de Vries die in Leeuwarden, 1770, getrouwd is met Salomon Heijmans (later zich noemende Le Grand). Haar vader Mozes was in Amsterdam geboren als zoon van Isaac Mozes de Vries Jaffe en had zich rond 1740 in Leeuwarden gevestigd. Maar was Frouwke wel een zuster van onze Isaac?

grafsteen frouwke de vriesDit is de grafsteen van Frouwke/Fraadsche de Vries zoals die voorkomt op de site van Joodse bronnen van Tresoar

In Leeuwarden zijn nog drie jongens geboren die allemaal een zoon waren van een Mozes Isaac de Vries: Salomon Mozes de Vries in 1749, Symon of Simon Mozes de Vries in 1750 en Marcus Mozes de Vries in 1761. Als moeder van deze jongens komt naar voren Carolina Abrahams, Carolina Salomons en Carolina Salomon Abrahams.
Ik vermoed dat deze mannen allen zonen zijn van dezelfde ouders: Mozes Isaac de Vries en Carolina (die een dochter was van) Salomon Abrahams. Maar zijn zij ook broers van onze Isaac?
Salomon was waarschijnlijk slager in Amsterdam (zijn zoon is slagersknecht als die aangifte doet van het overlijden van zijn vader in 1818.
Simon was de stamvader van de Handelsvereniging S.I. de Vries in Hoorn (later te Amsterdam), maar bij Delpher/historische kranten vind ik een advertentie in de Leeuwarder Courant van 6 september 1783 waarin Simon Mozes de Vries loten aanbiedt van de Generaliteits Loterij.
Marcus was slager. In het besnijdenisboek van de synagoge in Leeuwarden staat, als hij op 12 februari 1762 wordt besneden, dat zijn vader Mozes Isaac de Vries is, die het beroep van Katzew (= Slager) uitoefent. Op 13 januari 1812 heeft hij zich officieel laten registreren als Marcus Mozes de Vries. Zijn zoon Nathan zou later de slagerij van zijn vader in Leeuwarden voortzetten.
Zoals ik al eerder aangaf was het enkele feit dat vader en zoons slager waren geen aanwijzing voor verwantschap. Zoveel beroepskeuzemogelijkheden hadden joodse jongens in die tijd nog niet.
Opmerkelijk is wel dat bij geen van de jongens de toevoeging Jaffe in de naam voorkomt.
De Vries Jaffe.
De familie De Vries Jaffe is wel uitgebreid beschreven als het gaat om de Amsterdamse tak. Volgens aanwijzingen ligt de oorsprong van de naam in Suriname. Daar was in de zeventiende eeuw een Mozes Jaffe actief (handelaar/financier – misschien wel slavenhandelaar). Deze Mozes Jaffe had de bijnaam: De Vries (Friesland werd toen nog als Vriesland geschreven). Zijn nazaten werden later aangeduid als: De Vries Jaffe.
In Leeuwarden kom ik alleen Mozes Isaac de Vries Jaffe tegen als vader van Frouwke. Geen andere vermelding is mij bekend.
(Ojee, toch niet. In Leeuwarden is in 1821 Bloemetje (Bliem) Kop, dochter van Mathilde de Vries Jaffe en de Amsterdamse slager Philip (Peis) Kop, begraven. Maar dat is een ander verhaal.)

Dus daarmee is de puzzel nog lang niet opgelost.

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 3 reacties

Bolloper

Kent u dat woord? Ik kwam het onlangs tegen toen ik zocht naar gegevens over mijn voorouders.
Ik was aan het zoeken naar leden van de familie De Vries in Leeuwarden. In een van de akten die ik bekeek zag ik dit:

overl jacob de vries

Het gaat over het overlijden van Benedictus Jacobs de Vries in 1824. Hij was net, als meerdere van mijn voorouders, slager van zijn vak. Maar hier gaat het om het zinnetje daarvoor. Daar staat een van de aangevers vermeld als Isak Mozes de Vries. Botkoper las ik als zijn beroep, want ik dacht dat ook hij bij de slagerstak hoorde en ik vermoedde dat hij handelde in dierenbotten, die werden gebruikt om lijm uit te koken of te verwerken tot “beendermeel”.
Maar nadere bestudering van het handschrift en ook andere vermeldingen van deze Isak liet mij inzien dat er staat: bolloper.
Wat is een bolloper dan vroeg ik mij af. Al snel kwam ik er achter dat het hier een broodventer betreft. Ik weet niet of die benaming van dat beroep exclusief is voor Leeuwarden (Friesland). Maar wel begrijp ik dat het een nederig bestaan opleverde.
In de eeuwen voor de Bataafse Republiek in 1795 (die weer een gevolg was van de Franse Revolutie in 1789), mochten joden in Nederland niet zomaar alle beroepen uitoefenen. Zij mochten bijvoorbeeld geen winkel hebben en geen beroep uitoefenen waarvoor men lid van een gilde moest zijn (want zij mochten geen lid worden). Er waren wel wat uitzonderingen. Vooral als die gerelateerd waren aan hun religieuze opvattingen en gewoonten. De joodse spijswetten waren de reden dat er wel joodse slagers en bakkers waren. Die spijswetten waren tevens een garantie voor de kwaliteit van hun producten, vandaar dat zij ook veel niet-joodse klanten hadden en daardoor  ook weer veel joodse slagers enz. Maar een bolloper was een ander verhaal. Hij haalde zijn waar op bij een bakker en ging de straat op en langs de deuren in de hoop zoveel mogelijk te verkopen. Maar de concurrentie was groot en de marges klein.
De andere aangever in bovenstaande akte was de zevenenvijftigjarige Jacob Koopmans Bierschenk. Hij was koopman van beroep. Aan het patroniem is te zien dat ook zijn vader koopman was, al heb ik niet kunnen achterhalen wat zij zoal te koop aanboden. Wel weet ik dat zijn broer een bierschenker was. In 1812 moesten alle Nederlanders hun achternaam laten registreren en toen zijn broer koos voor “Bierschenk”, besloot hij dezelfde achternaam te kiezen. Jacob handelde dus in van alles en nog wat, hetgeen hem waarschijnlijk onvoldoende opleverde om te overleven. Daarom was hij assistent in de synagoge om zijn ondersteuning zeker te stellen. Een van zijn taken was om bij overlijden van iemand uit de joodse gemeenschap de nabestaanden hulp te bieden. We vinden dan ook heel wat akten van joodse mensen waarbij Jacob Bierschenk de aangever is. Ook de genoemde Isak Mozes de Vries ben ik een aantal keer tegengekomen zonder dat een familierelatie werd vermeld. Deze Isak is geboren rond 1767 en kan dus niet de Isaac Mozes de Vries (Leeuwarden, 1747) zijn die als mijn voorvader doorgaat.

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 3 reacties

De Friesche Vleeschhouwerij

Dit is het relaas van de slagerij van verre voorvaderen.
Het zat zo:
Isaak de Vries werd in 1647 in Leeuwarden geboren als zoon van een joods echtpaar, Mozes en Jaffe. Hij was vast niet hun enige kind, maar meer heb ik (nog) niet kunnen traceren. Wat vader Mozes precies deed voor de kost weet ik niet, maar het meest waarschijnlijke is dat hij onder andere fungeerde als slager. In latere jaren kom ik vaak in Leeuwarden nog slagers tegen met de achternaam De Vries, die vast niet allemaal familie waren van onze Isaak.
Op zekere dag is Isaak naar Amsterdam getrokken om daar zijn geluk te zoeken. Die vond hij bij Hanna, een dochter van ene Simon, waarmee hij in 1689 trouwde en die de moeder werd van zijn zeven kinderen. De rest van hun leven hebben Isaak en Hanna in Amsterdam gewoond. Maar twee van zijn kinderen zijn teruggegaan naar Leeuwarden. Van een van hen, Mozes, weet ik dat hij zich daar vestigde als slager. Mozes trouwde er met Trijntje, de dochter van ene Yzak, in 1742. Zij kregen in Leeuwarden vijf kinderen, een dochter en vier zonen.
De oudste zoon, Isaac, die geboren was in 1747, trouwde met Willemijntje (Mine) Cosman Troostwijk, de dochter van de Friesche textielhandelaar Baruch Cosman die, in navolging van de beroemde Amsterdamse lakenhandelaar Van Troostwijk, de naam Troostwijk aannam á 35 gulden voor het namenregister.
Tesamen met Mine en zijn vier kinderen trok Isaac in 1785 naar Zwolle om daar de “Friesche Vleeschhouwerij” op te zetten. Tot op hoge leeftijd, hij werd bijna vijfenzeventig jaar, bleef hij werken aan naam en faam van zijn slagerij. Hij werd daarbij terzijde gestaan door zijn drie zonen, Benedictus, Mozes en Berend.
Benedictus (mijn voorvader, de vader van oud-opa Lijpman de Vries) stapte rond 1819 over naar de handel in textiel, maar deed mogelijk nog wel de boekhouding voor de slagerij.
Mozes was ook aanvankelijk slager en trouwde in 1806 met Johanna Haring, de dochter van een succesvolle koopman uit Amsterdam. Mede daardoor stort hij zich van ca 1818 op de handel. Zijn zoon Karel, die getrouwd was met Jansje van Buuren, zou aan de basis staan van het textiel imperium “De Vries Van Buuren & Co.” .
(Zie hierover mijn post: Klik Hier ).

Alleen de jongste zoon van Isaac en Mine, Berend Isaac de Vries, zou in de zaak blijven.
Berend was en bleef dus slager. Hij trouwde met de Amsterdamse Esther Cohen, dochter van Hijman Chaim Cohen en Mietje Spits. Met haar kreeg hij elf kinderen, waaronder drie zonen: Izaak, Chaiem en Joachim, die allen in het slagersvak gingen. De toekomst van de slagerij leek dus verzekerd. Maar het lot neemt soms vreemde wendingen.
Izaak kreeg maar drie kinderen: De eerste was Rebecca. Zij was niet helemaal in orde en is gestorven in een tehuis in Medemblik, 56 jaar oud. Daarna kreeg hij een tweeling: Herman en Mietje. Herman is al na 20 dagen gestorven. Alleen Mietje bereikte de huwbare leeftijd. Zij trouwde met de slachter David Davidson, maar hun beide dochters zijn jong gestorven.
Chaiems huwelijk met Aaltje Spier werd gezegend door maar 1 dochter, die helaas op negentienjarige leeftijd is overleden. Zeven maanden later verloor hij ook zijn vrouw Aaltje. Hij is later, hij was dan al 65 jaar, nog eens getrouwd. Hij overleed na 24 jaar huwelijk met Marianne Sarlouis die hem nog drie jaar zou overleven.
Joachiem, de jongste zoon van slager Berend de Vries, bleef ongehuwd. En ofschoon hij hard heeft gewerkt om de koosjere slagerij in naam waardig en zuiver te houden, heeft ook hij niet unnen zorgen dat de “Friesche Vleeschhouwerij” in handen bleef van een De Vries.

Maar Berend had elf kinderen. Zijn jongste dochter Aaltje de Vries was getrouwd met Levie Marcus een ferme koosjere slager in Dokkum. Hij werkte daar in de slagerij van zijn vader.
Levie en Aaltje kregen in Friesland minstens vijf kinderen, waaronder drie zonen, Abraham, Izaak en Jacob. Toen haar ongehuwde broers Chaiem (70) en Joachim (61), die het werk niet meer aankonden, in 1885 aangaven dat zij de 100-jarige slagerij wilden sluiten, besloten Levie (Leon) en Aaltje om de zaak over te nemen voor hun zoons Abraham, Izaak Jacob. Vader Marcus bleef in Dokkum om de zaak daar draaiende te houden. Toen in 1886 Levie Marcus in Dokkum overleed, werd de zaak daar verhuurd en vestigde de hele familie zich in Zwolle. Jacob begon later een eigen slagerij in Kampen en dus namen, na het overlijden van hun moeder in 1893, Abraham en Izaak Marcus, het hele bedrijf over. De slagerij  heette vanaf ca 1893: A. en Iz. Marcus.

Zie verder dit aardige artikel over de kosjere slagerij van Marcus uit het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 4 oktober 1985.. Klik Hier

slagerij marcus

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 1 reactie

Een puzzelstukje

Ik heb hier al vaker verteld over mijn hobby, cq passie, dan wel bezetenheid. De genealogie. Soms denk ik dat ik alles van de laatste twee eeuwen wel gevonden heb en begeef ik mij op zijsporen die mij ook “zo interessant” lijken. Op andere ogenblikken bijt ik mij vast in ontbrekende puzzelstukjes, waarvan ik in eerder stadium dacht dat het niet meer te vinden is.
Voorbeeld.
De oma van mijn grootvader De Vries heette Johanna van Rees. Zij had als patroniem Elkan en er was een verwijzing naar haar opa aan moeders kant Philip. Zodat zij voluit werd aangeduid als Johanna Elkan van Rees Philips. Zij was geboren op 20 juli 1780 in Nijkerk en van haar familie ben ik aardig wat te weten gekomen. Maar vreemd genoeg was nergens te vinden wanneer en waar zij is overleden.
Haar huwelijk met Benedictus de Vries, een Israëlietische slager uit Zwolle, en de geboorte van haar acht kinderen heb ik vrij gemakkelijk kunnen vinden. Alleen haar sterfdatum en dat van haar tweede dochtertje Dina heb ik nergens kunnen vinden.
Tot vandaag.
Intensief speurwerk, doorzettingsvermogen en eindeloos geduld leverde mij het volgende op.

Johanna werd zoals gezegd geboren in Nijkerk. De familie hield zich bezig met vervaardigen en verhandelen van papier. Later kwam daar de productie van tabak bij. Maar Johanna trouwde in 1804 met Benedictus de Vries, geboren als zoon van Isaac de Vries een slager uit Leeuwarden, die zich in Zwolle had gevestigd. Benedictus zette het werk van zijn vader voort en ook enkele van zijn broers werden slager. Zij kregen dus acht kinderen, waaronder mijn overgrootvader Lijpman de Vries en een dochter Dina.
Deze Dina de Vries is in 1851 getrouwd met Philippus van der Rijn, jawel een slager in Groningen.
Vader Benedictus was al in 1840 overledenen. Moeder Johanna verbleef beurtelings bij een van haar gehuwde kinderen, waarschijnlijk om ze bij te staan bij zwangerschap en kraam. Daardoor was zij een beetje uit het zicht verdwenen. Maar we vinden haar terug in Amsterdam.
Philippus en Dina zijn in 1862 vanuit Groningen verhuisd naar Amsterdam. Ook twee zonen van Johanna, Isaac en oud opa Lijpman vertrokken naar Amsterdam. Zij stortten zich op de handel in textiel. Isaac in de Joden Breestraat en Lijpman op de Nieuwendijk.
Alleen Philippus bleef het slagersvak trouw. Hij vestigde zich op de Deventer Houtmarkt (wat we nu kennen als het Jonas Daniël Meijerplein), waarschijnlijk boven de Israëlietische Vleeschhal, naast de Hoog Duitsche Synagoge.
Ook hier woont Johanna beurtelings bij een van haar kinderen, al is ze officieel ingeschreven in het huishouden van Isaac in de Joden Breestraat 49.
Johanna is al 82 jaar als zij op 29 september 1862 komt te overlijden in het huis van Dina en Philippus aan de Houtmarkt 8. De aangevers bij de burgerlijke stand zijn Marcus en Samuel Koster. Zij zijn koster in de naastgelegen synagoge en bekenden van de overledenen.
Haar dochter Dina en Philippus hebben, voor zover ik heb kunnen nagaan, twee kinderen gehad. Die woonden nog thuis toen Dina op 11 februari 1870 ook is overleden in hetzelfde huis aan de Houtmarkt. Zij heeft dus niet meer de afbraak van de Vleeshal, het dempen van de gracht en de omvorming van de Houtmarkt in Jonas Daniël Meijerplein meegemaakt. ams_mendesdacosta_01.1200x0
Deze foto is van de Van Gogh Route (beeldbank Amsterdam)

Aside | Geplaatst op door | Een reactie plaatsen

Een bijzondere verjaardag

eefje

Hoera vandaag is een van mijn zussen jarig.
Ik heb er zeven, dus dat is op zich niet zo bijzonder. Nee maar dit zusje werd nu 80, voorwaar een bijzondere leeftijd. Maar we zijn geen van allen meer zo piep. Toch moest het maar eens flink gevierd worden.
Weken geleden werd haar dochter gepeild over een toepasselijk cadeau. Het zou een Ipad worden en dus werd er een mail rondgestuurd met de vraag wie van de familieleden wilde bijdragen. Daar werd enthousiast op gereageerd zodat er ruimte was voor nog iets extra (een sleeve of zoiets geloof ik).
Vanaf drie uur werden wij verwacht in de Brasserie Gezellig in Leende. Wij wilden liever niet als eerste aankomen daarom vertrokken wij om half twee naar “het zuiden”. Het beloofde een warme dag te worden dus had ik gezorgd voor een grote fles water met ijsblokjes er in. Toen we op de dijk naar Leliestad merkte dat de airco eigenlijk niets meer deed en een raar zuchtend geluid produceerde, prees ik mijzelf voor het idee van het gekoelde water. Ik reis niet vaak op dit tijdstip buiten het weekeind. Dus was ik verbaasd dat er zo veel verkeer op de weg was. Maar het reed vlot door en pas bij Maartensdijk moesten we even stapvoets rijden. Al spoedig zette de rij zich weer in beweging en was er niet veel meer te merken van de grote drukte op de weg. Zelfs de afslag naar de A2 werd vlot genomen en de blik richtte zich op ’s Hertogenbosch. Helaas al na enkele kilometers dwongen de matrixborden ons de gang te matigen en spoedig daarna stonden we stil. De blower in de auto gierde op volle kracht, maar kon niet verhinderen dat de temperatuur langzaam naar kritieke hoogte steeg. Soms konden we weer een stukje opschuiven maar dan viel het weer bijna stil. Dat bijna was funest, want ik merkte dat mijn koppelingspedaal angstvallig piepte als ik hem intrapte. “Die moet binnenkort een druppeltje olie hebben”, dacht ik.
Maar nee hoor. Het bleek ernstiger dan ik dacht. We naderden de afslag naar Waardenberg. (Nou dan ben je flink opgeschoten hoor ik u denken.) We hadden weer een paar minuten stil gestaan en toen ik de koppeling intrapte bleek dat ik wel kon ontkoppelen maar niet meer koppelen. Dat is echt nodig als je wilt optrekken. Dat ging dus niet meer. Links, rechts en achter mij werd verbaasd opgekeken dat ik een gat liet vallen naar mijn voorgangers, maar de auto wilde helemaal niet meer vooruit. Daar stond ik midden op de snelweg, terwijl de file al weer flink in beweging kwam. Ik ging maar wat duwen tegen de auto, wat overigens weinig effect had. “Sturen!!!”, riep in naar Thérèse. Maar die had haar oortjes uitgedaan vanwege het geraas van de geopende raampjes. Gelukkig stopten een paar bikers die het verkeer stillegden en mij naar de vluchtstrook duwden.
Gelukkig had Thérèse haar GSM-telefoontje meegenomen zodat we de ANWB/Wegenwacht konden bellen. Na drie pogingen lukte het mij om verbinding te krijgen en het 20-stappen keuzemenu door te lopen, de mevrouw van de alarmcentrale te vertellen waar wij tot stilstand waren gekomen en begon het wachten op de Wegenwacht. Wat rijden er veel gele busjes met daklichten rond, viel me nu pas op. De fles water, in inmiddels toch al lauw geworden, kwam goed van pas want door de zenuwen waren we extra verhit geraakt. Na een eeuwigheid (nou ja na 20 minuten) kwam de reddende engel. Eerst sleepte hij ons van de snelweg af, naar de McDonalds van Waardenburg. Daar begon hij te sleutelen. Het bleek dat de remvloeistof (?) bij de grote beurten niet vervangen was, waardoor het vervuild was geraakt en de drukcylinder (?) was gaan lekken en/of verstopt geraakt. Na enig knutselen met slangeskes en pompjes en spul ergens ingieten. Verklaarde hij dat de auto gereed was om terug te rijden naar Enkhuizen. “Maar wij moeten naar Leende, om mijn lieve zus te feliciteren”, riep ik wanhopig. “Ik zou dat niet doen”, was het goed bedoelde, maar strenge advies.
We besloten om Eefje te bellen dat we helaas verstek moesten laten gaan. Thérèse heeft een klein boekje waar allerlei belangrijke adressen in staan, maar daarin staan geen mobile telefoonnummers. Zij is toen naar McDonalds gelopen en heeft daar aan iemand het telefoonnummer van Brasserie Gezellig kunnen ontfutselen. Daarmee belden wij de uitspanning, waar men bereid was mij te verbinden met de jarige. De verbinding was heel slecht. Toch heb ik aan Eefje kunnen duidelijk maken dat we Leende niet zouden bereiken. Wij hoopten dat ze het begrepen heeft want halverwege het gesprek bleek de batterij van het telefoontje plotseling leeg.
De terugreis verliep redelijk vlot, ondanks de ferme regenbuien en donderslagen. Om zeven uur waren wij weer thuis. We hebben een flesje gekoelde rosé open getrokken en hebben op de jarige geklonken.
Soms lopen de zaken anders dan je vooraf denkt.

Geplaatst in diversen, Geen categorie | 2 reacties

Marie Frederika Cornelia Hamminck Schepel

Je zal maar zo heten hoor ik u denken.
Toch is zij best beroemd geworden, want zij was lange tijd de Maria_Frederika_Cornelia_Hamminck_Schepellevensgezel van Eduard Douwes Dekker, u weet wel: Multatuli.
Veel mensen zullen haar kennen als Mimi Douwes Dekker, want na de dood van Multatuli’s vrouw, Tine van Wijnbergen, is zij met de schrijver getrouwd.
Tijdens zijn leven en ook na diens dood heeft Mimi veel betekend voor de verspreiding van Multatuli’s literaire werk.

Ik kom hierop omdat ik in haar boek: Brieven van Multatuli, een passage tegenkwam die gaat over een van mijn voorouders. “Ja daar is ie weer”.
Het gaat over Jean Henri Dickelman, de vader van de oma van mijn oma De Vries. Dickelman was ambtenaar in het bestuur van Nederlands Indië. Als hij assistent-resident is in Krawang krijgt hij op 13september 1845 een assistent toegewezen: Eduard Douwes Dekker. 

Dan nu het stukje waarin Mimi verteld over een herinnering van Eduard (die zij soms Dek noemt). 

Daar kreeg hy last om voor drie maanden naar Krawang te gaan, om den adsistent-resident aldaar ter zyde te staan. Zyn wachtgeld zou aangevuld worden tot fl. 200. Het was dus geen vaste aanstelling en bovendien beneden zyn rang. Hy dacht er aan om zyn ontslag te nemen. In dien tyd was de tegenwoordige Raad van Indië Hoogeveen kommies by het departement van cultures en producten, en diens vader die toen Raad van Indië was, raadde Dek aan om te gehoorzamen. Bovendien het was maar om drie maanden te doen. Dek ging dus naar Krawang, en daar hy slecht by kas was legde hy den weg te voet af. ‘Het is een heel eind van Buitenzorg naar Krawang, zeide hy, men moet twee bergketenen passeeren gescheiden door een diep steil dal, zooals kinderen het teekenen zouden. Hoe ver het is weet ik niet meer, maar weinig Europeanen zullen dien weg te voet hebben afgelegd. Myn jongen bleef achter, hy kon my niet byhouden. Nu, op dien tocht kwam ik eens ’s avonds tegen donker aan een landhuis (Tjirigien of zoo iets noemde hy het) het was van Arnolds. Ik kwam daar aan, riep een jongen, en zei hem dat hy aan zyn heer zou zeggen dat er een Europeaan was die om een nachtverblyf vroeg. M’nheer was niet te huis, zeide hy. Nu dan moest hy ’t aan Mevrouw vragen. Hy kwam terug met de boodschap: ‘M’nheer moet niet kwalyk nemen, maar Mevrouw durft niet, Mevrouw is bang.’ Hy hield een lantaarn in de hand en bekeek me, hy vond zeker dat ik er niet voordeelig uitzag. Nu, dat wil ik wel gelooven, na zoo’n tocht! Ik stuurde den jongen nog eens naar binnen. ’t Was nacht, althans na zes uur, aan voortgaan was niet te denken door die bosschen met tygers, ik stuurde hem dus nog eens naar binnen. In dien tusschentyd schreef ik op een der kolommen der galery een versje. ‘Dek wilde my het versje zeggen, doch herinnerde er zich nog maar enkele woorden van.

Mevrouw Arnolds bleef weigeren hem te ontvangen. De jongen, de bediende, raadde hem toen aan naar den mandoor te gaan, en daar bleef hy dien nacht. De oude heer Dikkelman was assistent-resident te Krawang. Hy had vroeger in den oosthoek te Malang dezelfde betrekking vervuld, en had zich toen daar byzonder verdienstelyk gemaakt by de koffy-cultuur. Door intriges van de familie Hofman, die zoowel in Krawang als by Malang landgoederen had, werd hy verplaatst en dit verbeeldde een bevordering, daar hy hier geen resident boven zich had, dus zelfstandig was. Maar hy gevoelde zich ongelukkig in dit land, waarvan hy de taal niet verstond. Ook was hy niet vertrouwd met zyn nieuwen werkkring. Er was achterstand in stukken, enz. Dekker werd nu gezonden om dit by te werken. De oude heer Dikkelman was aan den drank geraakt, en hy en zyn vrouw zagen den jongen beambte aanvankelyk aan als een soort spion. Maar dit veranderde weldra. Na verloop van drie maanden gaf Dikkelman Dekker een getuigenis dat hy hem van groot nut was geweest, en daarop vertrok Dek met postpaarden van Krawang naar Buitenzorg. Tine kon het te Parkan Salak niet meer uithouden. Zeer geprikkeld daardoor ging Dek op zekeren dag in rytenue op audientie by den Gouverneur-Generaal Rochussen. Er is, in ’t Buitenzorgsche, meen ik dat hy zeide, eene byzondere industrie. De vrouwen verwen daar draden die ze daarna weven. ’t Zyn zeer heldere kleuren en de eigenaardigheid is, dat men zelf een patroon bestellen kan.’ Nu van zulk goed had ik een pantalon aan, zeide hy, een zeer bonte schotsche ruit. Rochussen ontving my niet vriendelyk.
– Waarom ben je teruggekomen? vroeg hy.
– M’n tyd was om. Ik was er heen gezonden voor drie maanden.
– Nu, dan zou ik verwacht hebben dat je my verzocht daar nog wat te mogen blyven.
Ik ging terug naar ’t logement en dacht na. Eindelyk kwam ik tot ’n besluit en schreef een rekest, zóó: Dat ik op Poerwakarta m’n drie maanden, zooals bevolen, gebleven was; dat ik daar voldaan had (ik lei ’t getuigschrift van Dikkelman over) dat, ofschoon me by besluit van den zooveelsten een plaatsing in myn rang was toegezegd, en ik dus niet ingenomen kon zyn met een ter beschikking-stelling van den ads.-res. van Krawang beneden m’n rang en m’n inkomen. 

Zie: http://www.dbnl.org/tekst/mult001mdou03_01/mult001mdou03_01_0003.php

 Even voor mijn familie:

Oma heette: Cornelie Eerdmans, (geb. 1881).
Haar moeder heette: Wilhelmina Arendsen Hein, (geb. 1856) .
Haar moeder heette: Anna Cornelia Dickelman, (geb. 1839)
Die was een dochter van Jean Henri Dickelman (“De oude heer Dikkelman” dus, geboren in 1794) en Anna Cornelia Krayenhoff, (geb.1798).

UPDATE

In hetzelfde boek komen over-oud-opa-en-oma nog eens voor.
Op blz.31 staat een stukje uit1876, waarin Multatuli verteld over zijn 2
de verblijf in Krawang (Karawang), nu samen met  Everdine (Tine van Wijnbergen, zijn eerste vrouw). Eduard heeft de naam niet helemaal goed onthouden want hij heeft het nu over de heer en mevrouw Dilleman.

Hy zond me toen voor drie maanden naar Krawang, waar een oude resident was, Dilleman, die wat hulp of opzigt noodig had. ’t Was een moeilyk baantje. Ik volbragt het met de meeste discretie, en keerde na drie maanden terug. Rochussen beval me daar weer heen te gaan. In godsnaam! Maar we trouwden eerst. Mevrouw Dilleman had ons en amitié genomen en we logeerden by haar. Na nogmaals zes maanden verblyf te Krawang, keerde ik naar Batavia terug.

 

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | 7 reacties

Erfstukken  

Ik draag nog altijd mijn moeders zilveren armband die zij van mijn zusjes had gekregen nadat bij een inbraak al haar juweeltjes waren gestolen. Ook heb ik nog een schilderijtje dat haar oom Pierre heeft gemaakt. Verder is er hier in huis geen sprake van erfstukken. Oh nee, ik vergeet bijna een fraaie designlamp uit de jaren 60, die mij ten deel viel na het verscheiden van mijn  tante Eefje.
Ik weet het inmiddels uit ervaring: er is niets verdrietiger dan de plicht van de nabestaanden om de spulletjes van vader of moeder te verdelen of “weg te doen”.

In een historische krant  van 1824 las ik over de verkoop van de “spulletjes” van een van mijn voorouders, ene Gerrit Wetters, die op 11 september 1824 is overleden 58 jaren oud. Terwijl hij toch een vrouw en drie kinderen naliet.
Ik vermoed nu dat zijn kinderen zich al gesetteld hadden en dat zijn (2de ) vrouw, Anna Pullen, bij een van haar stiefkinderen is ingetrokken.

Wat had ik nu graag uit die lijst mogen kiezen… 

(De tekst heb ik onder de foto weergegeven.)

 natalenschap gerrit wtters  

H. van Laethum Gzn, D. de Vriend, A. Craandijk, J.C. Bing, C. van Maarschalkerwaart, H.W. Pruissen en J.F. Meijer jr, makelaars, zullen op dinsdag 21 december  1824 en volgende dagen, ’s morgens om 10 uur, te Amsterdam, voor het huis van de overledene, op de Keizersgracht 1146 (tussen de Reestraat en de Berenstraat) door de notaris J.F. Meijer doen verkopen:

  • Pretentieuze gladhouten ledikanten, extra  welgevulde bedden en matrassen, katoenen en wollen dekens en gordijnen (behangsels).
  • Gevlamd mahoniehouten Linnen-kabinet, garderobe, eikenhouten gladmangel.
  • Fraaie mahoniehouten secretaire.
  • Hoekbuffet  met penant- en cilinderkastjes.
  • Kapitaal staand horloge (gemaakt door Allin Walker à Amsterdam).
  • Een extra welluidend en zeer fraai mahoniehouten kabinetorgel (4½ octaaf en 10 registers)
  • Accuraat lopende tafelpendule in Marmer met vergulde ornamenten.
  • Zeer net vervaardigde mahoniehouten en gladhouten stoelen met zwarte en andere trijpen zittingen.
  • Pronk- (of over)gordijnen, Vlaams linnen “ophaalgordijnen”, fijne Smyrna en andere tapijten, inlandse vloer- gang- en trapkleden.
  • Kapitale heldere spiegels., schoorsteen ornamenten, branches en lantarens.
  • Mahoniehouten uitschuiftafel met 8 inlegbladen en andere dito tafels (ook nacht- bed- en penanttafeltjes) en bijbehorende gladhouten en andere meubelen.
  • Zware ijzeren turfschoorsteen en fraai geslepen vuurhaard.
  • Een partij zwaar koper-, tin-, ijzer- en blikwerk.
  • Rijk gezette juwelen,  best accuraat lopende zakhorloges, zilveren soep- en tafellepels en vorken.
  • Olie- en beschuittrommel en verder zilverwerk, porselein- lak-, kristal- en glaswerk.
  • Een partij op- en onopgemaakte lijnwaden en zindelijke menskleding en hetgeen verder tot een deftige en zindelijke inboedel behorende goederen. 

Alles nagelaten door wijlen de heer Gerrit Wetters .
Een catalogus is verkrijgbaar bij de boekhandel of te bestellen bij Schmidts & Co, boekdrukkers te Amsterdam.

Even voor mijn familie:

Gerrit Wetters was een opa van oma Schenk-Wetters (de vrouw van de schilder Martinus Schenk), zij was weer een oma van mijn moeder Jeanne de Vries-Brugman.
Gerrit was een makelaar in honing en was. De bovengenoemde makelaars waren zijn zakenpartners.
Ook zijn zoon Johannes, de vader van oma Schenk, was makelaar en deed later veel verkoopzaken met meneer Van Laethum (de eerstgenoemde).

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | 2 reacties