Anekdote

Vanuit mijn vroegste herinneringen circuleerde er bij ons in de familie anekdotes over mijn grootouders Brugman.
Op foto’s en in familiefilmpjes was opa Brugman een heel lieve man met pretoogjes en een laconieke instelling. Helaas heb ik hem maar een keer of twee ontmoet want wij woonden in een andere stad dan mijn grootouders en opa is gestorven toen ik pas vijf jaar oud was.Opa en oma
Het is logisch dat mijn herinneringen aan hem gekleurd zijn door de verhalen die binnen het gezin over hem de ronde deden. Zo werd er verteld dat opa niet altijd zo rustig was als hij op mij overkwam. Oma was nogal veeleisend en dat bracht opa soms tot een gecontroleerde razernij. Hij greep eens een groot vleesmes en stoof op oma af roepend naar zijn vier dochters: “Hou me vast of ik bega een moord!” Oma zette het dan op een lopen rond de eettafel achtervolgd door haar man met opgeheven mes. Mijn moeder vertelde dat vaak lachend, maar ik hoorde dat sidderend aan. Want zij deden niet onder voor de gruwelijke sprookjes van Moeder de Gans, die ik soms voor het slapengaan kreeg voorgeschoteld. Ik troostte mij met de gedachte dat opa dat maar speelde en dat zo’n lieve man het nooit tot een bloedbad zou laten komen.
Een ander verhaal (waarover ik het eigenlijk wilde hebben) is de mare dat opa vaak niet wist waar hij woonde. Dat kwam zo:
Opa is al vroeg naar zee gegaan. Volgens mijn moeder was hij “Bootsman”. Dat klonk voor mij hetzelfde als kapitein. Nu weet ik dat hij een heel bescheiden rol speelde aan boord. Maar toch. Hij was zeeman en dat vind ik al stoer genoeg. Volgens de verhalen heeft hij de transitie van zeilvaart naar stoomvaart meegemaakt, maar zijn loopbaan liep ongeveer van 1885 tot 1925, dus zullen het wel de laatste stuiptrekkingen van de zeilvaart zijn geweest. Hoe dan ook, hij was veel op zee ook na zijn huwelijk.
Het verhaal dat mij verteld werd is, dat oma veel van verhuizen hield. Zodra opa van wal gestoken was, dwaalde zij door de stad om te zien waar ergens een woning te huur stond. Het kwam dus regelmatig voor dat opa terugkomend van een reis eerst naar het kantoor van de maatschappij moest om te vragen waar hij nu weer woonde. Ik vond dat een prachtig verhaal, want het leek mij reuze leuk om te verhuizen.
Nu onthult de genealogie allerlei details die de verhalen in een ander daglicht stellen. Op de gezinskaart van Franciscus Brugman in het Gemeente Archief van Amsterdam, staan alle adressen vermeld waar opa Brugman heeft gewoond sinds zijn eerste huwelijk met Cornelia Gouverneur, de moeder van Ton Brugman uit mijn vorige post. Daaruit blijkt dat zijn eerste vrouw veel verhuiszuchtiger was dan mijn oma. Hoewel ik moet toegeven dat zijn eerste vrouw steeds een huis vond rond het Ooster Park of soms De Pijp (13 adressen in 12 jaar). Terwijl zijn tweede vrouw, oma dus, het verder weg zocht. In 1913 verhuisde zij naar Bussum ging, terug komend koos zij voor de Hoofdweg in West. Daarna voor de Wingerdweg en later de Duizendschoonstraat in Amsterdam Noord. Opa had inmiddels werk aan de wal. Na zijn pensionering ging het verhuizen nog wel een tijdje door: Castricum, Heiloo, Alkmaar, Soest, om uiteindelijk in het oudemannenhuis aan de Roetersstraat afscheid te nemen van deze wereld.

NB) bovenstaande foto is een detail uit de foto die ik onlangs kreeg van Astrid Hart.

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 1 reactie

Nog even over Antonius (Ton) Brugman

Jan Brugman was een halfbroer van onze moeder. Ik heb hem nooit ontmoet en vraag mij zelfs af of mijn moeder hem ooit ontmoet heeft. Hoe dat kwam heb ik eerder beschreven op mijn blog (zie hier). Onlangs ontdekte ik dat er nog een halfbroer en nog een halfzuster hebben geleefd, waarvan ik het bestaan nooit heb geweten (zie mijn vorige post).
Omdat er niemand meer is die ik daarnaar kan vragen speur ik in de archieven voor meer informatie.
Dit is wat ik tot nu toe te weten ben gekomen:

Voordat Opa Brugman met mijn Oma trouwde, was hij getrouwd geweest met Cornelia Gouverneur. Met haar had hij zes kinderen drie jongens en drie meisjes. Zij hadden als Katholieke kinderen heel veel namen, maar ik noem ze: Frans, Jan, Ton, Betsie, Corrie en Mina.
Na de dood van hun moeder zijn de kinderen eerst door mijn oma (die net weduwe was geworden) verzorgd. Maar nadat zij zwanger was geraakt door Opa Brugman heeft vader Gouverneur zich over de kinderen ontfermd. De jongens zijn naar een tehuis in Nederweert gegaan waar zij school liepen en een vakopleiding kregen. Frans werd tuinder, Jan werd kleermaker en Ton werd opgeleid tot broodbakker. De twee oudste meisjes Betsie en Corrie gingen naar een tehuis van de Zusters van Liefde in Amsterdam, maar Mina ging mee naar Oud-opa Schenk, op wiens adres ook Jeanne (officieel heette Oma  Jeane met maar één “n”) en Frans (Opa) werden ingeschreven. Nadat mijn moeder was geboren en Frans (matroos) weer eens aan wal, zijn Opa en Oma getrouwd (1910). Al snel kwam er een tweede kindje (Helena, 1911).  Oud-opa en oma Schenk gingen naar Sint Jozef (het bejaardenhuis aan de Plantage Middenlaan) en Opa en oma Brugman gingen in Bussum wonen. Mina ging aanvankelijk met hen mee naar Bussum, maar is later verhuisd naar haar oom Gerard Gouverneur in Amsterdam. Daar bleef zij wonen tot haar huwelijk met Hendrik Legué (1926).
De andere kinderen uit Opa’s eerste huwelijk hadden al veel langer geen enkel contact meer met hun vader. In 1920 trouwen zowel Frans (18 februari) als Jan (15 december). Beiden leggen bij hun huwelijk een verklaring van de notaris voor, waarin staat dat hun vader niet heeft gereageerd op een oproep om toestemming te geven voor hun huwelijk.
Na de dood van zijn moeder is Ton dus samen met zijn broers en zussen in huis gekomen bij zijn grootvader Gouverneur. Anton heeft daar gewoond van 24/4/1908 tot 15/9/1908 , Oosterparkstraat 30 III. Daarna is hij samen met zijn broers Frans en Jan naar een kindertehuis (weeshuis) in Nederweert gegaan. Daar kreeg hij een opleiding tot bakker. Hij woonde van 8/5/1916 tot 3/7/1917 en ook van 5/5/1919 tot 2/7/1919 en van 8/5/1920 tot 24/11/1920 in Tilburg en is dan bakker van beroep. Daarna is hij vertrokken naar Amsterdam en  is gaan varen bij de KNSM (grote vaart} als stoker. Op 28/4/1924 is hij terug uit West-Afrika, maar gaat op 20/9/1927 weer naar zee. Hij blijft stoker maar nu op de “wilde vaart”. Als hij zich op 19/8/1930 weer in Amsterdam inschrijft geeft hij op: “Komend van Engeland”. Hij is nog steeds ongehuwd en woont vanaf 30/12/1937 bij zijn broer Jan in de Balthasar Floriszstraat 32″. Volgens de persoonskaart woont hij tot 1940 Balthasar Floriszstraat 32 “” (4 hoog). Daarna verhuist hij naar de 1ste Jan Steenstraat 130 hs. In 1948 op de Adriaan van Ostadestraat 320″. Een jaar later Transvaalstraat 36 hs, maar op 1/6/1962 op nr 35″ en op 28/9/1966 Transvaalstraat 35′.
Waarom al die adressen vraagt u zich misschien af. Wel omdat er iets is bij die jongens dat ik niet begrijp.
Zoals ik aangaf woont Ton in hetzelfde huis als Jan en zijn gezin. Later betrekt hij de zolderkamer van dat pand. Ook als Jan met vrouw en kinderen verhuist naar de Eerste Jan Steenstraat gaat Anton mee naar dat adres. Maar in 1948 verlaat Anton het gezin van Jan en gaat wonen in de Van Ostadestraat. Dan in 1949 verhuist Jan naar een ander pand in de Jan Steenstraat, maar zijn vrouw Maria gaat in de Transvaalstraat wonen, hetzelfde adres waarheen ook Anton verhuist. De Kinderen van Jan en Maria (26, 27 en 28 jaar) zijn dan al getrouwd en het huis uit. Jan zal daarna nog een aantal malen verhuizen, maar Maria en Anton blijven in de Transvaalstraat wonen.

Als Jan in 1966 voor het eerst een prijs wint met een van zijn schilderijen is dat voor het werk “Herinneringen aan mijn vrouw”. Het doek is gevuld met kleurige bloemen waar doorheen een vrouw, omringd door katten, schemert.
Het wekt de suggestie dat zij is overleden, terwijl zij tot 1972 heeft geleefd.

Als er in 1978 het boek “Naïeve schilders zien ons land” verschijnt is ook Jan al drie jaar dood. Toch staat in dat boekje een foto waarop hij samen met Maria prijkt in zijn kleermakers atelier vol met zijn schilderijen. Zij zien er uit als een gelukkig echtpaar.

IMG_5607

Dit is Jan Brugman en zijn vrouw Marie Brugman-van Kuijk met enkele van zijn schilderijen aan de muur.  

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | Een reactie plaatsen

Half-familie is ook familie

Hier  en hier  schreef ik over opa Brugman. Maar onlangs zag ik op de facebookpagina van de familiegroep onderstaande foto van Opa en Oma Brugman en hun twee oudste dochters.

opa en oma brugmanNaar aanleiding daarvan las ik nog eens terug wat ik over hen geschreven had en tot mijn verrassing zag ik dat er enkele gegevens ontbraken die ik ooit wel eens gezien had.

Het gaat dan vooral over de half-broers en –zussen van mijn moeder. Over Frans en Jan heb ik geschreven en ook over Tante Betsie, die non geworden was. Dat opa’s eerste vrouw Cornelia Gouverneur gestorven was toen zij pas vierendertig jaar oud was heb ik mij niet eerder gerealiseerd. Dus heb ik mij daarin nog maar eens verdiept.
Zij was 22 jaar toen zij met Frans Brugman trouwde en een  jaar later werd hun eerste zoon geboren. Dat was oom Frans dus, die met tante Anna was getrouwd. Het volgende jaar, het is dan 1897, kwam Jan (de schilder van naïeve kunst). Pas vandaag zag ik dat er nog een derde zoon was. Hij heet Antonius Hendricus Brugman en werd geboren op 24 november 1898 in Amsterdam. Op de website van GENI zag ik dit fotootje van hem. Maar ik heb (nog) geen gegevens van hem kunnen achterhalen.

Antonius Brugman(half-oom)Ton Brugman

Daarna zijn er nog drie meisjes geboren:  Elisabeth, 1901 – Cornelia, 1903 – Wilhelmina Alida Elisabeth, 1906. Waarom de laatste drie namen kreeg en de andere maar één weet ik niet. Wilhelmina is getrouwd met Hendrik Legué en heeft twee kinderen gekregen. De jongste daarvan, Gerard Legué, heb ik nog kunnen traceren, maar het contact met hem ben ik helaas kwijt geraakt.

Ja, wie had dat gedacht, dat opa toch ook tien kinderen heeft gehad.

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | Een reactie plaatsen

Muziekvermaak

Soms komen bepaalde zaken op een onverwachte en verrassende manier bij elkaar.
In mijn vorige post schreef ik over een ver familielid die in 1891 trouwde met een zangeres uit een artiestengroep. Dat wekte mijn nieuwsgierigheid naar het muziekleven van de negentiende eeuw. Zoekend op internet vond ik informatie die mij enig inzicht verschafte in de muziekconsumptie in de tijd van voor de geluidsdragers/-verspreiders als grammofoon, telefoon, radio enz.
Het was leuk om te ontdekken dat de muziek (buiten de kerkmuziek om) vooral te horen was in de uitgaansgelegenheden als bars, thee- en koffiehuizen en zalen van meer algemeen nut. Concert- en theaterzalen waren er wel al, maar waren alleen toegankelijk voor de “hogere kringen”.
De muziek verspreidde zich vooral via matinees, soirees, vauxhall-feesten en vaudevilles. Als ik de programma’s van degelijke concerten lees valt mij op dat daar ook muziek van componisten als Mozart, Beethoven, Bellini en Rossini gespeeld werden, bijvoorbeeld aria’s uit nu nog bekende opera’s. Natuurlijk werden er ook chansons-comique gezongen en grappige scenes gespeeld, want men had ook toen al behoefte om de zinnen te verzetten.
ASauvlet (Antoine Sauvlet)
Vaak waren de orkesten gegroepeerd rond een familie. Bekend in die dagen waren de families Buziau, Caron en Sauvlet. Die op menige kermis in heel het land te horen waren. Mijn Julienne Caron kwam uit zo’n familie voort. Haar (half-)broer Joseph Caron noemde zich soms Joseph Buziau en was de vioolleraar van de later beroemde komiek Johan Buziau, die hem in een interview “mijn oom” noemde.
Op Delpher (historische kranten) kwam ik een aardig artikeltje tegen in de Java Bode (Nederlands Indië) van 14 februari 1866.

Multatuli in Amsterdam
(hieronder het artikel – overgeschreven)

In Amsterdam klaagt men van onderscheiden zijden over de politie. Enige dagen geleden heeft zij weer een grote flater begaan bij een publieke voorstelling in den Salon des Variétés, waar de familie Sauvlet zich laat horen. Multaluli (Douwes Dekker), ’t miskend genie, de jachtmaker op excentriciteit, is een trouw bezoeker van dezen Salon, en naar ’t schijnt heeft hij de heer Sauvlet en personeel onder zijn hoge bescherming genomen.
Toen toch een dame na het horen van een minder bijbels couplet tot haar man zei: „Laat ons heengaan, ik wil die gemene liedjes niet langer horen”, vertoornde de heer Multatuli zich zodanig, dat hij den onschuldige echtgenoot, die zich alleen te verwijten had, dat hij er een teergevoelige, kiese gade op nahield, een duchtige oorveeg gaf, wegens het beschimpen van hoogst verdienstelijke artiesten.” Deze handtastelijke argumentatie viel, gelukkig voor Multatuli! op het gezicht van het tegenovergestelde van een held, maar verwekte desalniettemin een grote stoornis, die met kalme blik door een paar waakzame agenten werd gade geslagen, welke heren zich wel wachtten, de publieke orde te handhaven, naar men gist uit vrees voor den onstuimige schrijver van Max Havelaar,
wiens anders zoo doffe ogen in hun diepe kassen rolden als een paar salamanders en wiens kunstgevoel door de familie Sauvlet op zo gevaarlijke wijze schijnt ontwikkeld te zijn, dat zij hem tot razernij gebracht heeft.
Maar nu is de kwestie, of primo, de dienaren der politie, die in deze niet, van hun tegenwoordigheid hebben laten blijken, door den kampioen der familie Sauvlet uit de zaal te verwijderen, niet uit het korps moesten verwijderd worden, en secundo, of ’t wel gewaagd is, Multatuli nog langer te laten loslopen, vooral nu hij in een opzichtige, bombastische snoeverij gulweg bekent, dat hem dat uitdelen van klappen uitmuntend bevallen is en men dus eerstdaags van meerdere zodanige distributie zal horen.

Overigens leidde dit incident tot een tweejarige ballingschap van de auteur zie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Eduard_Douwes_Dekker

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie, kunst | 1 reactie

Een vrolijke bruiloft

Dit wordt een heel  raar stukje. Ofschoon …  Natuurlijk gaat het over mijn hobby; genealogie.
U moet nu niet wegklikken, want het wordt reuze spannend en boeiend. Ha ha ha.

De oma van mijn oma De Vries heette Wilhelmina van Delden. Zij kwam uit een gezin met vijftien kinderen, die vader Augustinus verwekt had bij drie vrouwen met wie hij achtereenvolgens was getrouwd (nadat de voorgangster ongelukkigerwijs was gestorven). Wilhelmina was  tweede van de negen kinderen  van zijn derde vrouw, Geertruida Götte. Een aanzienlijk deel van de familie had zich in Oost Indië gevestigd, waar de broers en halfbroers zich bezig hielden met de Cultuur. Dat is in dit geval, verbouw en handel in suiker en/of koffie en tabak. Wilhelmina trouwde met de Rijksambtenaar, militairadministrateur, Suffridus Eerdmans. Deze nam na zijn huwelijk ontslag uit de dienst en stortte zich op het bedrijfsleven in samenwerking met enkele Van Deldens. Later vestigde hij zich in Amsterdam als makelaar en handelaar in koloniale producten. Enkele van zijn zeven kinderen bleven in of gingen terug naar Indië, waaronder mijn grootvader waarover ik al zo vaak heb geschreven.

Nu is de familie Van Delden zo veelomvattend, dat ik hen uit voorzorg terzijde had geschoven. Maar nu nam ik een van de ooms van oma De Vries onder de loep. Dat was  Arnoldus Johannes van Delden, geboren 1836 in Goor (Overijssel) en overleden in Bad Kissingen (Duitsland). Jawel, het is nu al spannend, hoewel …? Hij en zijn vrouw Barbara Brouwer hebben vijf kinderen ( 4 jongen en 1 meisje) gehad die allemaal in Soerabaja zijn geboren. Maar één van de jongens trok mijn aandacht. Hij heet Augustinus Franciscus Suffridus van Delden. Hij is dus gedeeltelijk naar zijn oom Suffridus Eerdmans vernoemd. Zoals veel van de Indische Hollanders krijgt hij een belangrijk deel van zijn opleiding in Nederland. Hij bezoekt de HBS in Arnhem en zal die zeker hebben afgemaakt. Daarna gaat hij terug naar Indië om zich bij de familie te voegen  en werkt  als employé op de onderneming. In 1878 trouwt hij in Pasoeroean met Bertha Emelie van den Dungen, een meisje uit Soerabaja.  Zij krijgt een miskraam in 1880 en ook de zwangerschap in 1883 eindigt met de geboorte van een niet levensvatbaar kindje. Een maand later overlijdt ook Bertha, zijn vrouw. Augustinus ziet het leven in Indië niet meer zitten. Hij krijgt last van het tropische klimaat en in 1884 gaat hij via Marseille terug naar Amsterdam. Ziekelijk en gedemotiveerd keert hij terug in Holland. Hij speelt graag piano en neemt wat les van de beste leraar die hij kan krijgen. Wat hij verder precies doet heb ik niet kunnen achterhalen. Zijn ouders wonen in Nijmegen als daar in 1886 zijn moeder overlijdt.  Zijn vader die eigenaar directeur is van de NV Cultuurmaatschappij “Djae” in Amsterdam maakt hem commissaris van de handelsmaatschappij, die handelt in koloniale producten en investeert in Indische producenten. Maar Augustinus heeft geen interesse of kan het fysiek niet meer opbrengen. Hij geniet van de muziek en raakt verzeild in een gezelschap van muzikanten en variétéartiesten. Hij maakt kennis met de zangeres  Julienne Caron. Wat er precies zich heeft afgespeeld achter de schermen zal wel verborgen blijven.
huwelijk van delden caronHet is een mooi gezelschap dat zich woensdag 19 augustus 1891 naar het stadhuis van Amsterdam begeeft. De stralende Julienne werd omringd door de gebroeders Antoine en Emile  Buziau, Ludo Franse, haar halfbroer Etienne Caron en haar oom Joseph Caron en Nicolaas Sauvlet, allen muzikanten van het circus “Arena”. Er werd gelachen en gezongen, want het was een feestelijke dag. Julienne ging trouwen! Het was natuurlijk wel  jammer dat de bruidegom te ziek was om mee te gaan, maar Antoine Buziau had gezorgd voor een briefje van de dokter dat de bruidegom echt niet in staat was om zich op het stadhuis te vertonen. De ambtenaar vond het ook wel een goede grap en maakte er ook geen punt van toen Etienne de akte ondertekende met A. van Delden. In de Nes werd het feest voortgezet en er werd menig glas geheven op de gezondheid van die arme bruidegom die in zijn mooie huis aan de Weteringschans in bed lag te rillen. Het was al laat toen Julienne op kousenvoeten de slaapkamer binnen sloop en de fles jenever die zij voor Aug had meegenomen op het nachtkastje zetten. “Slaap maar lekker door hoor schat”, fluisterde ze en blies de blaker uit.

overlijden agustinus

Oom Augustinus is op 30 oktober 1892 overleden. Julienne plaatste een advertentie en vertrok met het gezelschap naar de provincie en zong daar haar hartverscheurende smartlappen.

*) Zie voor de originele bijlagen van het huwelijk op  19-8-1891/ reg 20 fol. 19 (img 543) klik hier en blader door

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 4 reacties

The Workum Connection

Workum

Onlangs ontdekte ik dat een van mijn voorouders een echte dokter was. Ik heb het dan over een Medicinae Doctor. Een arts dus. Hij leefde van 1726 tot 1807 in en rond Workum. In het beschrijven van mijn stamboom heb ik vaker melding gemaakt van een voorvader die zich arts noemde. Maar altijd zat er een verdenking aan van: Hij noemt zich wel dokter, maar is hij dat ook.
Zo beschreef ik hoe Jean Tessoniere, een hugenoot die via Duitsland in onze streken was beland en hier de naam Johannes Titsing aannam (zich noemende naar de destijds beroemde arts Johannes Titsingh) en zich vrolijk op de gezondheidszorg stortte. Deze Jean was de vader van de overgrootmoeder van mijn oma Brugman. Maar ik heb mij ook uitgebreid beziggehouden met een voorvader van mijn oma De Vries, Suffridus Eerdmans (1779-1838).
In mijn boek: SUFFRIDUS hebt u kunnen lezen hoe een jongeman uit Friesland aan het eind van de 18de en begin van de 19de eeuw deel uitmaakte van de wereldgeschiedenis. (Helaas is niet alles meer te lezen door het wegvallen van mijn vroegere provider en het wachten is op een uitgever die het in druk wil laten verschijnen.)
Als rekruut en later als chirurgijn en officier van gezondheid maakte hij in Noord-Holland de strijd tegen de Engelsen en de Russen mee. In de Franse tijd nam hij deel aan de veldtocht tegen de Oostenrijkers. Vanaf 1803, gestationeerd op Sint Eustatius, de bezetting van het eiland door de Engelsen en de krijgsgevangenschap in Engeland die daarop volgde. Terug in Holland “mocht” hij in 1812 met Napoleon mee naar Moskou, om vervolgens in de Volkerenslag bij Leipzig terecht te komen. Ook de slag bij Waterloo, nu aan de kant van de Nederlanders, de Pruissen en de Engelsen, maakte hij van nabij mee. Zijn relatieve rust als officier van gezondheid in het garnizoensplaatsje Bergen op Zoom werd vijftien jaar later verstoord door de gewelddadigheden tijdens de Belgische Opstand.
Daarnaast beschreef ik zijn liefde voor twee vrouwen en vijf kinderen vanuit zijn eigen perspectief.

Maar nu pas ontdekte ik dat deze Eerdmans een kleinzoon was van Suffridus Kramer, de dokter van Workum. Deze dokter was een afgestudeerde arts, Medicinae Doctor, van de Universiteit van Franeker. Hij was in Workum getrouwd met Elisabeth Tuinmans, maar hun eerste kindje werd geboren in Bergen op Zoom. Opvallend is dat als hun dochter daar wordt gedoopt (Hervormd) de doopgetuige Matthijs Tuinmans is. Dus kennelijk woonde familie van de moeder in West Brabant.
Hun tweede kind, geboren in Workum, was Magdalena Kramer en is de moeder van Suffridus Eerdmans. Dat verklaart zijn voornaam en ook zijn belangstelling voor de gezondheidszorg.
Over de geneeskundige kwaliteiten van dokter Kramer ben ik niet veel te weten gekomen. Wel dat hij zorgvuldig met zijn geld omging. Ik heb twee anekdotes gevonden waarbij dokter Kramer voor de rechter zijn wanbetaling moest komen verdedigen.

In 1773 wordt apotheker Rodenburg, die dan 55 jaar is, als getuige (deskundige) betrokken bij een proces, aangespannen door apotheker N. Feenema uit Leeuwarden tegen Suffridus Kramer, medicinae doctor te Workum 113. Kramer wil de rekening, die hij van Feenema ontvangen heeft voor in 1770 geleverde 16 farmaceutische grondstoffen, niet betalen. Deze zou veel te hoog zijn “jaa zoo ’t schijnt maar bij de roes (zijn) opgesteld”. Rodenburg en Henricus Vlot, de andere Workumer dokter, moeten de bedragen controleren. Ze komen tot de conclusie dat deze niet te hoog zijn. Derhalve wordt dokter Kramer veroordeeld de rekening te betalen.
(klik hier voor de bron)

En nog een:
Op het oog een goede klant van de voerman Haije Haijema was Suffridus Kramer, Medicine Doctor. Hij huurde in 1775 nogal eens wat. Twee paarden en de knecht moesten o.a. eens mee naar Lemmer, met de eigen wagen van dokter Kramer, om zekere Collegiale Comparite bij te wonen. Helaas, toen de rekening over 1775 kwam, gaf de dokter niet thuis. Aanmaningen mochten niet baten. Het kwam op de rechtdag van 4 oktober 1776 voor het nedergerecht. De wagenaarsbelangen werden behartigd door notaris Dominicus Marnstra. Dokter Kramer schakelde de advocaat Dr.Sicco Heineman in. Er werd o .a. bezwaar gemaakt tegen een post van 22 juli, waarbij een wagen met twee paarden en een los paard werden gehuurd voor een plezierrit naar Hindeloopen en Galamadammen. Dokter Kramer zou een en ander hebben besteld voor zijn 25-jarige schoonzoon Bauke S.Osinga, verwer en glasemaker te Workum. Daar zou ook de rekening heen moeten, althans volgens de dokter. Haijema was het er niet mee eens. Het kwam twaalf keer op de rol bij een rechtdagzitting en pas op 22 mei 1778 kreeg Dr.Suffridus Kramer, bij verstek, de opdracht binnen acht weken te betalen. De advocaat had toen al afgehaakt.
(klik hier voor de bron)

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 2 reacties

Hak op tak en losse eindjes

Kijk, dat zou een echte genealoog nooit doen. Ik wel. Ik spring van de hak op de tak.
Zo zit ik te wroeten in het joodse leven van de Zwollenaren, dan onderzoek ik plots het atelier van een fotograaf in Alkmaar of een “geneverstoker” in Schiedam. Dan weer ben ik op zoek naar de achtergronden van een bestuursambtenaar in Indië of beland ik bij een vroedvrouw in Dordrecht. En dan heb ik het nog niet gehad over het kunstschilder milieu van de 19de eeuw in Amsterdam, Utrecht of Brussel, noch over de RK pastoors in het Gooi, de zilversmeden van Leeuwarden en Harlingen en over de smeden annex schoenmakers van de Amsterdamse binnenstad.
In mijn familie is iedere generatie een samensmelting van twee totaal verschillende milieus en achtergronden.
Ik vind het allemaal zo interessant en het verbaas mij mateloos dat het allemaal te vinden is in dat malle zwarte toestelletje op de tafel voor mij. Ik noem het allemaal “familie’, maar de bloedverwantschap tussen mij en al die personen is (voor zover die al bestaat) zonder een geavanceerd genealogisch programma niet uit te leggen.

Zo vond ik op het internet een afbeelding van een immigratiekaart uit Rio de Janeiro (Brazilië) waarop melding wordt gemaakt van het binnenkomen aldaar van Augustinus Julius Eerdmans in 1954.
“Wie is dat”, denk ik dan en ga onmiddellijk op zoek, want een van mijn grootmoeders was een Eerdmans.
In mijn systeempje heb ik een Augustinus Julius Eerdmans die geboren is in 1918 te Pekalongan in Ned. Indië als zoon van Suffridus Henricus Eerdmans (Frits) een broer van mijn oma de Vries. Maar is dit dezelfde persoon?
Deze Augustinus, Gust (ik kort het maar even af, al weet ik niet hoe hij zich liet noemen), is geboren in die havenstad aan de Noordkust van midden Java, misschien toen al beroemd om de prachtige batikwerken die daar werden gemaakt. Zijn vader was in 1908 getrouwd met Anna Sara (Sarima) Petronella Muilwijk en was waarschijnlijk werkzaam op een van de suikerplantages van de Van Deldens (familie van zijn moeder). Ik heb niet kunnen vinden of en wanneer er nog broertjes of zusjes zijn geboren. Was Gust enig kind? Van hem weet ik alleen dat hij in 1940 is afgestudeerd als werktuigkundige in Batavia. Zijn ouders wonen dan al een tijd in Bandoeng, waar zijn vader beheerder is van het dierenasiel, dat is gesticht door diens vader Arnold (mijn overgrootvader, die ooit assistent-resident was in Koetei – Oost Borneo/Kalimantan). Vrij snel na zijn afstuderen is Gust gemobiliseerd en werd adjudant in de Militaire Motorisch Dienst (Genie) van het Ned. Indische Leger. Direct aan het begin van de Japanse bezetting werd hij geïnterneerd als krijgsgevangene en kwam pas vrij na de capitulatie van de Japanners in september 1945. De hele familie was, net als bijna alle Europeanen,  tijdens de bezetting in kampen verdwenen en het duurde nog geruime tijd voor hem duidelijk werd waar zij waren gebleven.
Zijn vader Frits had de ontberingen in het Jappenkamp maar nauwelijks overleefd, maar hij overleed tijdens de bersiap en kreeg zo een oorlogsgraf. Zijn moeder zat in het kamp Tjideng, maar is 0p 24 september 1945 overgebracht naar het militaire hospitaal. Vandaar ontbreekt van haar ieder spoor.

Augus zoekt zijn

 In bovenstaande uitgave van de Nederlandsche Dagbladpers te Batavia (in beperkte oplage gratis verspreid onder de Nederlanders in Indië) van 3 januari 1946 staat een oproep van Gust:

 August zoekt zijn ..

A.J. Eerdmans, mlt. Adj. MMD, Balikpapan, verzoekt inlichtingen omtrent mevr. E.L. Eerdmans – Gast, laatst wonende Dinojo, Malang.

In de krant staan veel van degelijke oproepen en ik heb de neiging om ze allemaal na te trekken. Maar ik loop al vast op deze E.L. Eerdmans-Gast. Zou dit zijn vrouw kunnen zijn? Dan moet er toch wel een huwelijksaankondiging te vinden zijn, maar die zie ik nergens.
Wel stuit ik op een eigenaardigheid.
Er blijkt in 1951 een mevrouw E.L. Gast te zijn die in een krantenartikel het opneemt voor de afgezette voorzitter van de Dierenbescherming in Bandoeng.
Hee, de vader van Gust, Frits, was de vroegere beheerder van het asiel, een activiteit van de Dierenbescherming. Zijn grootvader Arnold was de oprichter van de afdeling van de dierenbescherming in Bandoeng en eerste voorzitter. Er was destijds (1937-1939) veel gedoe over een bedrag van fl. 140.- die de beheerder van het asiel niet kon verantwoorden. De oude heer Eerdmans (Arnold was inmiddels al 83 jaar) werd van zijn functie ontheven en vervangen (tegen de zin van de leden, die allen voor Eerdmans waren). De oorlog maakte een einde aan het gekissebis en gekrakeel, maar in 1951 werd de afdeling en ook het asiel weer nieuw leven ingeblazen. Mevr. E.L.de Gast roemt de oude Eerdmans en prijst het initiatief om het asiel nieuwleven in te blazen. Zij maakt zich bekend als de ex-penningmeesteresse van de vereniging, maar draagt niet zelf de naam Eerdmans.

Er is nog een mogelijkheid. Zijn grootvader (Arnold dus) is in 1940 een paar maanden voor zijn dood getrouwd met Sophia de Weerdt (de secretaresse van de Nederlandsch Indische Bond tot Bestrijding van Vivisectie, waarvan Arnold ook voorzitter is). Zou Gust die namen hebben verwisseld. Was hij dus op zoek naar de laatste vrouw van zijn grootvader?
Ik kom er niet uit.
Het was weer heel leuk om te zoeken, maar wel blijf ik zitten met losse eindjes.

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 1 reactie