De vier paaltjes

021Aan de overkant van de Hoofdstraat is een afslag. Dat straatje is halverwege afgesloten voor doorgaand verkeer, zodat alleen de parkeerplaatsen bereikbaar zijn. Het trottoir en een pleintje zijn afgesloten door vier paaltjes, om te voorkomen dat automobilisten hun voertuig parkeren op het voetgangers gedeelte. Soms botst er wel eens een auto, die de bocht te ruim wordt ingestuurd, tegen een van die paaltjes. Dan staat die scheef totdat iemand van de gemeente langskomt om de boel weer min of meer in het gareel te brengen.
Maar onlangs had de gemeente besloten om de boel eens op te knappen en werd een plan gemaakt om het hele straatje (wel 150 meter!) te verfraaien.
Vijf weken geleden werd ik om zeven uur gewekt door een vreselijk lawaai. Men was begonnen om het asfalt te verwijderen. Vanuit mijn slaapkamerraam kon ik de verrichtingen goed volgen, maar ik had meer te doen dus ging ik naar beneden om mijn eigen bezigheden op te pakken. Ik probeerde mij af te sluiten voor het vreselijk geraas waarmee de werkzaamheden gepaard gingen. Aan het eind van de dag, toen het weer een beetje stil werd in de straat, zag ik er enkele bergen met brokkenasfalt, stenen en grond waren ontstaan. “Nou, dat schiet al aardig op”, dacht ik optimistisch. Maar nee.
Ik zal u niet vermoeien met een gedetailleerd ooggetuigen verslag, maar ze zijn nog lang niet klaar. Dagen werd er af- en aangereden met vrachtwagens die grond afvoerden en andere grond kwamen storten. Tot mijn verbazing werd iedere keer de straat keurig platgewalst om vervolgens weer te worden afgegraven en opnieuw volgestort. Dat herhaalde zich zo een aantal malen totdat er plotseling, na enkele weken, wit zand werd uitgereden en geëgaliseerd. Toen kwamen de mooie terracottakleurige klinkers. Misschien overdrijf ik maar voor mijn gevoel werd iedere steen door vijf man aangedragen, waarna een van hen die vakkundig recht legde.
Toen het parkeergedeelte klaar was, kwam men op het idee om met witte stenen parkeervakken aan te geven. Dus werd er gemeten en touwtjes gespannen en nog eens gemeten en uiteindelijk langs de touwtjes om en om een steen eruit gewrikt en door een wit exemplaar vervangen. Het zag er fraai uit, maar er diende toch wel een voetgangersstrook zichtbaar te zijn. Dus werd er in de parkeer vakken, ad random, nog een aantal stenen uitgenomen en vervangen door een zwart exemplaar. Nu ziet het er klaar uit, op een enkel hoekje na, waar nog “iets” moest gebeuren. Dat iets had te maken met een stoeprand die te hoog bleek voor rolstoelgebruikers. Dus werd dat gedeelte van het voetpad weer opgebroken en vervangen.
Toen moesten de vier paaltjes nog worden geplaatst.
Ho ho, dat gaat zomaar niet.
Weer werd het stoepje opgebroken en tot de gewenste diepte afgegraven. Er werd weer nieuw zand ingestort en opnieuw bestraat. Nog een paar weken en dan kunnen we weer aan de overkant parkeren.
Ik kijk er naar uit.

NB)
De foto is van Thérèse. Daarop is te zien dat de paaltjes staan. Nu alleen nog opruimen, denk ik.

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Anton Brugman

Wie weet er nog iets van Anton Brugman?
Ik bedoel hier mijn oom, de halfbroer van mijn moeder. Behalve dat hij ooit bestaan heeft wist ik helemaal niets van hem. Dit is wat ik via internet te weten ben gekomen, want ik heb hem nooit ontmoet. (mijn moeder trouwens ook niet geloof ik).
Antonius Hendricus Brugman is geboren op 24 november 1898. Na de dood van zijn moeder in 1907 is hij samen met zijn broers en zussen door zijn grootvader Gouverneur in huis genomen. Anton heeft daar gewoond van 24april tot 15 september 1908. Dat was in de Oosterparkstraat op nummer 30, drie hoog. Daarna is hij samen met zijn broers Frans en Jan naar een kindertehuis (weeshuis) in Nederweert gegaan. Daar kreeg hij een opleiding tot bakker. Hij woonde van 8 mei 1916 tot 3 juli 1917 als bakker in Gilze of Rijen (de burgerlijke stand vermeldt niet in welke van de twee dorpen hij woonde) en van 5 mei 1919 tot 2 juli 1919 in Chaam en later, tot 24 november 1920, in Tilburg. In al die plaatsen was hij bakker van beroep.
Zijn vader, mijn opa dus, was zeeman. Het bakkersvak (een idee van het weeshuis?) heeft Anton toch niet zo heel lang kunnen boeien, want in 1920 is hij vertrokken naar Amsterdam en  gaan varen bij de KNSM (grote vaart} als stoker.

Medea 1916Zie hier

Op 28 april 1924, lees ik, is hij terug uit West-Afrika, maar op 20 september 1927 gaat hij weer naar zee. Hij blijft stoker maar nu op de “wilde vaart”. Als hij zich op 19 augustus 1930 weer in Amsterdam inschrijft geeft hij op: Komend van Engeland.
Hij is nog steeds ongehuwd en woont vanaf 30 december 1937 in bij zijn broer Jan, die dan al drie zonen heeft: Jan, Cor en Ton. Volgens de persoonskaart wonen zij tot 1940 in de Balthasar Florisstraat op nummer 32 vier hoog, hij heeft dus een zolderkamertje. Daarna verhuist hij mee met het gezin van zijn broer Jan, die kleermaker is, naar de Eerste Jan Steenstraat 130 huis.
Of hij in en/of na de oorlog nog gevaren heeft heb ik niet kunnen vaststellen. In 1948  woont hij zelfstandig in de Adriaan van Ostadestraat tweehoog achter op nummer 320, maar een paar maanden later, als ook de laatste van Jans zonen getrouwd is en het ouderlijk huis heeft verlaten, trekt hij toch weer in bij Jan en zijn vrouw Maria op het adres Transvaalstraat 36 huis. Op 1 juni 1962 verhuist hij naar een huis aan de overkant van de straat: nummer 35 twee hoog achter en op 28 juni 1966 naar één hoog vóór in hetzelfde pand.
Daar is hij op 3 juli 1970 overleden.

Zou hij weet hebben gehad van mijn bestaan?

 

Bij de foto:
Het schip de ss Medea uit 1916. Deze prachtige foto komt van deze site

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | 2 reacties

Karel Frederik van Delden Laërne

Karel Frederik van Delden (1845-19400), de zoon van Arnoldus Johannes van Delden die niet genoemd wordt als een van de erven bij de verdeling van de aandelen van de suikerfabriek Koning Willem II te Modjosari. (zie mijn vorige post)
Karel had in 1872 officieel zijn familienaam laten veranderen, zodat hij verder genoemd wordt: Karel Frederik van Delden Laërne.
Had zijn vader hem daarna verstoten, onterfd misschien? Hij wordt niet genoemd in de advertentie bij het overlijden van zijn vader. Wel komt hij voor in advertenties van overlijden van een broer of (schoon-)zus.
Lange tijd heb ik gespeurd naar de herkomst van de toevoeging: Laërne.
In 1871-1872 studeerde Karel aan de Latijnse school in Delft voor het diploma “aanstaande ambtenaren voor de burgerlijke dienst in Nederlandsch Indië”. Een aantal van zijn medestudenten hadden indrukwekkende achternamen: baron Van Voorst tot Voorst, Ridder van Rappard, Schmidt auf Altenstadt, Van Lawick van Pabst en De Vulder van Noorden. Waarschijnlijk dacht Karel zijn kansen op een succesvolle carrière te kunnen vergroten door zijn naam te veranderen. Maar hoe kwam hij bij: Laërne?
Misschien was hij al in zijn jonge jaren geraakt door onderstaand stukje over een goede katholiek en dappere zouaaf uit Laerne die op 3 maart 1868 verwond raakte in de slag bij Mentana en daaraan bezweek.

Dood van den laatsten Martelaar van Mentana.
„De goede God heeft de laatste bloem van den „hof van Mentana geplukt:” Ziedaar de lieve en hartroerende woorden, waarmede ene religieuze den dood aankondigde van Leo Bracke, uit Laerne, bij Gent, sergeant bij de Pauselijke zouaven en den laatsten nog in het hospitaal van den H. Geest verpleegden gekwetste van dat roemrijk regiment. Hij is den 3 Maart ’s namiddags te halftwee ure overleden en zijn afsterven is zoo schoon, zoo treffend, zoo engelachtig geweest, dat wij vermenen zijne laatste ogenblikken aan de vergetelheid te moeten ontrukken.
„’t Is, zeide de Zuster Overste, den schoonsten, den kalmsten, den heiligsten dood, dien ik gezien heb.” Als men den zieke vroeg: „Wel! Bracke, hoe gaat het ?”— antwoordde hij steeds, met een zoeten glimlach: „Toch niet al te erg.” In den morgen van 3 Maart antwoordde hij : „Niet heel goed.” Inderdaad zijne krachten namen zichtbaar af. Men gaf er kennis van aan den aalmoezenier Paaps, die in het hospitaal gevestigd is. „Wel! Bracke, hoe gaat het vandaag met u?” „Niet al te wel, mijnheer de aalmoezenier.” —„Wilt gij de laatste H. Sacramenten ontvangen, mijn vriend?”— „O ja , zeer gaarne, met genoegen.”
Dit kort onderhoud had ’s morgens, ongeveer ten zeven ure plaats. Bracke ontving met de grootste godsvrucht de laatste Sacramenten. Hij antwoordde zelf, en met vurig geloof, op de gebeden der stervenden. Na de laatste smekingen, riep hij den Weleerw. heer Paaps. — „Denkt u, zeide hij tot hem, dat ik heden sterven zal?”— „Dat is vrij waarschijnlijk, mijn goede vriend !”— „O ! wat ben ik tevreden! wat ben ik tevreden!”
Enige ogenblikken later hervatte hij: „Denkt gij dat ik nog den gehelen dag zal moeten lijden ?” De Zuster die hem bewaakte antwoordde : „Dat zal u de plaats innemen van het Vagevuur.” — „Ja, gij hebt gelijk.”
Alsdan begon hij slaperig te worden, men meende rondom hem dat hij naar den hemel ging, hij opende de ogen weder: — „De goede God wil mij nog niet, mijne ziel wil nog niet vertrekken.”
Hij sluimerde weder in. In zijnen sluimer, glimlachte hij op zachte en zoete wijze. De glimlach des geluks en des vredes. Hij maakte verscheiden malen het teken des Kruizes. — De Zuster Overste zeide hem alsdan : „Wat scheelt u dan , Bracke ? Bracke , wat doet gij ?” — O ! Zuster , ik meende in den hemel te zijn! Laat mij dan vertrekken, opdat ik spoediger aankome !” De Weleerw. Heer Paaps naderde hem heel dicht: Bracke, hoor mij goed aan. Men zegt altijd dat het uur des doods een uur van smart en schrik is, op den drempel der eeuwigheid, zeg mij rondborstig of gij zulk gevoel ondervindt ?” — „O neen , mijnheer de aalmoezenier, ik ben zeer gerust, ik ben gelukkig , ik heb geen schrik, ik verlang te sterven.” Al die hem omringden, belastten hem alstoen met ene menigte boodschappen voor den hemel. De Zusters zeiden hem: „Gij zult ons bij den goeden God niet vergeten , niet waar ?” — Neen Zuster. — Gij zult voor mij ene genade aan de H. Maagd vragen ? — Ja, Zuster. — ledereen beval zich hem aan en met de grootste en zoetste gerustheid beloofde hij alles te zullen vragen, niemand te zullen vergeten. Omstreeks elf ure dacht men dat het laatste ogenblik gekomen was. Niet de minste beweging van geest of lichaam. De oppasser Béchet bukte zich naar hem en riep hem herhaalde malen : „Bracke! Leo!” — Hij opende de ogen weder: „Béchet, Béchet, wat hebt gij gedaan? Ik stierf, ik ging naar den hemel en gij hebt mij tegengehouden!” — De Eerw. heer Paaps hervatte: „Gij vergeeft het hem , niet waar ?” — O ! ja , van ganser harte !” Is dat groot, verheven , of liever heilig genoeg ? Een luitenant van de zouaven, die dezen wonderlijken doodstond bijwoonde, kuste Bracke op het voorhoofd. De zieke zag hem met een zoo helder oog en een zoo zoeten glimlach aan, dat den officier tranen uit de ogen welden. Eindelijk , ten half twee ure, „glipte hij heel zacht in de armen van den goeden God,” zonder het minste geweld, zonder den minsten schok. Geen enkel ooggetuige van dezen heiligen dood aarzelt te zeggen: „Bracke is in den Hemel.” De Zusters , de religieuzen , al de aanwezigen stortten tranen van geluk. De goede religieuzen wensten allen in de plaats van den overledene te zijn. Bracke, gelijk wij zeiden , was uit Laerne, in de omstreken van Gent. Hij is bezweken aan de gevolgen van een kogel die hem te Mentana getroffen en de ademhalingsorganen gekwetst had. Hij was een toonbeeld van soldaat: sedert kort was hij tot den graad van Sergeant bevorderd geworden. Laat de vrijdenkers en laffe belagers de heldhaftige jongelingen , die, gelijk Bracke, zich aan de zaak van de Kerk en van de vrijheid der zielen zijn gaan wijden, „als huurlingen, dweepzieken, een vrij land onwaardige burgers beschimpen, laat hen de Mazzini’s, de Garibaldi’s, de Orsini’s verheffen ; Wij bewonderen Pius IX, Pimodan, Lamoricière, onze dierbare en roemrijke zouaven, wij zijn trots op onze helden en scharen ons gaarne aan de zijde des gewetens en der eer in den strijd met de schande en de misdaad. Leggen wij dan, Katholieken van Nederland, leggen wij op het graf van Bracke, even als op dat van de Jong , Crone, van den Dungen enz. ene herinnering en een gebed neder. Zij zijn ginder, onder de schaduw van den dom van St. Pieter, de getuigen van ons geloof en onze liefde voor de Kerk. _ Verre van het Vaderland, rusten hunne gebeenten in den grond der martelaren, onder de hoede der engelen, die de eeuwige verrijzenis zullen voorzitten. Gegroet, verafgelegen graven! Gij schittert van roem. en van het graf van den martelaar van Christus gelijk van liet graf van den Christus zelven kan men zeggen : Sepulcrum ejus gloriosum.

Uit:”Weekblad van Tilburg”. Tilburg, 14-03-1868, p. 1. Geraadpleegd op Delpher op 23-01-2018, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:000023771:mpeg21:p002

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | 2 reacties

De Van Deldens

Dit gaat over de familie Van Delden. Al moet ik er meteen bij vermelden dat, hoewel de genealogische gegevens (voor zover ik weet) kloppen, alle persoonlijke eigenschappen fictief zijn. De namen heb ik onveranderd gelaten, maar geen van de mensen waarover het gaat heb ik persoonlijk gekend of op afbeeldingen gezien. Mijn “Indische” familie, de familie van mijn oma De Vries, heette Eerdmans. Van die kant heb ik wel eens horen spreken over de Van Deldens. De spreker vond ze dan arrogant. “Zij keken op ons neer”.

Nu weet ik dat de grootmoeder van mijn oma Wilhelmina Helena van Delden heette, dat zij in 1824 geboren is in het Gelderse Goor. Hoe zij in Indië verzeild is geraakt en daar getrouwd is met Suffridus Eerdmans, heb ik pas veel later ontdekt. Dat verhaal vertel ik nog wel eens als vervolg op mijn boek SUFFRIDUS, de Officier van Gezondheid in het leger van de Bataafse Republiek, Napoleon en Willem II.

Dit verhaal begint ook bij Koning Willem II, maar dan als naam van een suikerfabriek. Of eigenlijk bij een krantenbericht dat ik tegenkwam op Delpher.nl, de site met de duizenden historische kranten.

de erfenis  Bericht in de Java-Bode van 19 december 1891  over de aandelen voor de suikerfabriek “Koning Willem II” te Modjosarie (bij Soerabaja) op Java.

Hieronder volgt de transscriptie van het artikel met daar tussen, in blokjes, aantekeningen die ik heb gemaakt over de personen die daar genoemd worden.

Bij de Javaanse Courant zijn gevoegd de statuten van de naamloze vennootschap „Maatschappij tot exploitatie van de suikeronderneming koning Willem II”, die te Soerabaja is gevestigd en waarin de eigenaren dier fabriek deze hebben ingebracht voor een som van f 492.000,-, verdeeld in 984 aandelen van f 500,-.

  1. NB) De Suikerfabriek Koning Willem II is in 1865 voor f 429.000,- gekocht door de (half-)broers Arnoldus Johannes en Franciscus van Delden en de hr. Klinkhamer [1].

De directie van de suikerfabriek werd gevoerd door de firma Fraser Eaton & Co te Soerabaja. Arnoldus (zoon van Augustinus van Delden en zijn 1ste vrouw Machtelda Koning) was vooral actief als bestuursambtenaar.  In 1822 vertrekt hij van Java naar de Molukken. Later is hij secretaris in Manado (Noordoost Celebes) en commissaris in Nieuw Guinea.
Franciscus (zoon van Augustinus en zijn 2de vrouw Anna Schneider) is samen met Arnoldus de oprichter van een negotiehuis onder firma Van Delden & Co te Manado. Later is de handelsonderneming gevestigd in Soerabaja. Beiden zijn in 1891 al overleden.
De eigenaren van de suikerfabriek zijn dus hun erfgenamen.

Aandeelhouders zijn:
Baronnesse Ricca della Doppia, geb. van Delden, eerder weduwe van J. Greig, te Milaan,        78 stuks. Drie minderjarige kinderen Greig, elk 16 ; 

Dit betreft Elisabeth Johanna Magdalena van Delden (1853- 1900), dochter van Franciscus van Delden en Maria Duyvné. Zij is in Indië gehuwd geweest met James Greig (1840-1889), met wie zij drie kinderen had (Frank, Edwin en Cora). Het gezin Greig woonde tot 1889 in Soerabaja. In 1890 is Elisabeth in Italië gehuwd met Baron (Duc) Ricca della Doppia en woont in Milaan (haar dochter Maria Pia Ricca della Doppia was in 1891 pas of nog niet geboren en kon nog geen aandeelhoudster zijn).

mevr. de Klerck, geb. Schut, weduwe van A. J. van Delden, 90 ;

Henriette Schut was de 2de vrouw van Arnoldus Johannes van Delden (1804-1885), secretaris van de resident van Menado (nu Manado) en commissaris van Nieuw Guinea. Op 3 februari 1887 in Ridderkerk hertrouwd met dr. A.W. de Klerck (1832 -1905).

G.A. van Delden 12 ; 

Gerardus Arnoldus van Delden (1824-1902), zoon van Arnoldus van Delden en zijn 1ste vrouw Henriëtte Walsen.

J.W. en F. G. A. van Delden elk 8 ; 

Johannes Wilhelmus van Delden (1830-1899) en Franciscus Gerardus Augustinus  van Delden (1834-1911) waren ook zoons van Arnoldus van Delden en zijn 1ste vrouw Henriëtte Walsen.

A.A. van Delden 12 ; 

Augustinus Ambrosius van Delden (1842-1912) was ook een zoon van Arnoldus van Delden en zijn 1ste vrouw Henriëtte Walsen.

Wed. Spreutels geb. van Delden 8 ; 

Henriëtte Arnoldine van Delden (1840-1921) was een dochter van Arnoldus van Delden en zijn 1ste vrouw Henriëtte Walsen en getrouwd geweest met Willem Jan Baptist Spreutels (1833-1889).

Wed. van Baak geb. van Delden 8 ;

Maria Johanna Wilhelmina van Delden (1844-1915) was een dochter van Arnoldus van Delden en zijn 1ste vrouw Henriëtte Walsen en getrouwd geweest met Bastiaan van Baak (1827-1890).

Mr. B. H. en L. A. H. van Delden elk 8 ; 

Mr. Benjamin Hendrik van Delden was een zoon van Arnoldus van Delden en zijn 1ste vrouw Henriëtte Walsen en Lodewijk Arnold Hendrik van Delden was een zoon van Arnoldus van Delden en Henriëtte Schut (de latere mevr. De Klerck [2]).

Mr. W. J. Essers 62 ; 

Mr Werner Joseph Esser (1838-1902) was een jurist die o.a. substituut Griffier bij de landsraad voor justie in Soerabaja was. Hij is getrouwd geweest met Maria Magdalena Wilhelmina Gijsberta van Delden van 1870 tot 1886. Zij hadden drie kinderen.

Mevrouw M. M. W. G. van Delden 62 ; 

Maria Magdalena Wilhelmina Gijsberta van Delden (1851-1912) was een dochter van Franciscus van Delden (1810-1874) en zijn 2de vrouw Maria Duyvné en van 1870 tot 1886 echtgenote van mr. W.J. Essers waarbij zij drie kinderen had.

Drie kinderen Fraser en vijf kinderen Gerritzen elk 2 ; 

De kinderen Fraser waren waarschijnlijk kinderen van De bewindvoerder van de suikerfabriek en handelspartner van de gebroeders Van Delden. De kinderen Gerritzen waren kinderen van Michelina Johanna Henriëtta Onnen, een dochter van dokter P.L. Onnen uit zijn 1ste huwelijk. Michelina was getrouwd met F.H. Gerritzen en zij is al op 29 oktober 1881 overleden.

A.F. B. van Delden 31 ; 

Arnoldus Franciscus Bernardus van Delden (1840-1924) was een zoon van Franciscus van Delden (1810-1874) en de inlandse vouw Arta.

E.Th. van Delden 250 ;

Eliza Theodoor van Delden (1849-1925) was een zoon van Franciscus van Delden (1810-1874) en zijn 2de vrouw Maria Duyvené.

Mevr. F.G. Lambrecht geb. van Delden 125 ;

Mevr. Françoise Geertruida van Delden, dochter van Franciscus van Delden (1810-1874) en zijn 2de vrouw Maria Duyvené, is op 15 juni 1874 te Menton (Fr.) getrouwd met de heer F. Lambrecht, die dus in 1891 al was overleden. Later is zij in Monaco getrouwd met ene heer Coltelli von Rocco Mare. Onbekend of zij ook kinderen heeft gehad.

Wed. Onnen, geb. Muller 102 ; 

Mevr. M.J.H. Muller was getrouwd met dr P.L. Onnen. Deze arts was ook actief als handelaar importeur (niet alleen medicijnen maar ook div. goederen) en was dus zo een beetje collega van de gebroeders Van Delden.

Mevr. van Bueren, geb. Onnen 8 ;

Mevr. Sophia Cornelie Migeline Onnen (1846-1913) was een dochter van dokter P.L. Onnen uit zijn 1ste huwelijk en gehuwd met Christiaan Johannes van Bueren (1831-1913). Op 30 mei 1886 werd zij medevennoot van de firma C.J. van Bueren & CO.

Wed. Wellenstein, geb. Onnen 8 ;

Dit betreft Mathilda Dorothea Sophia Onnen, dochter van dokter P.L. Onnen uit zijn 1ste huwelijk en gehuwd met Victor August Wellenstein (overleden op 23 juli 1887 te Londen/Engeland).

Mevr. Dowie, geb. Onnen 8 ;

Helena Elisabeth Onnen ( – ), dochter van dokter P.L. Onnen uit zijn 1ste huwelijk en in 1878 gehuwd met Adam Dowie (zij hadden 1 kind).

P.J., G. J. B. en W. A. Onnen elk 8 aandelen 2 ;

Ik heb niet kunnen achterhalen om welke personen het hier gaat, maar ik vermoed dat het allen (in 1891 nog minderjarige) kinderen van dokter P.L. Onnen betreft.

Directrice is de firma Fraser Eaton en Co, commissarissen zijn G. W. J. Kooy en J. P. M. Jolly, plaatsvervangend A. Dowie en Mr. M. Enschedé.

De onderneming van de gebroeders Van Delden dateert van voor 1840 (zie advertentie aanbieding van machines uit 1843). In 1898 werd na moeilijkheden de firma Fraser Eaton & Co genoodzaakt de directie van de onderneming neer te leggen (zie ook het laatste hoofstuk).

 

Het Verhaal:

Uit de uitgebreide familie Van Delden (stamvader Augustinus van Delden had 15 kinderen bij 3 opeenvolgende vrouwen) vertrokken een aantal (zeven) leden naar Nederlands Indië. Dat waren behalve mijn overgrootmoeder Wilhelmina, haar drie halfbroers, Arnoldus Johannes, Franciscus en Ambrosius. Ook haar (volle) broer Arnold en haar jongste zus Maria (Mimi) woonden in Soerabaja. Hun zuster Francisca was in 1861 op weg naar Indië toen zij aan boord van de ss Van Rijckevorsel is overleden.
Overoma’s jongste zus Mimi is op 18 november 1862 in Soerabaja getrouwd met Jan de Kadt uit Druten die op Java een tabaksonderneming runde. In 1867 deed Jan zijn onderneming de “Gading” te Malang van de hand en is met vrouw en dochter terug gegaan naar Nederland. In Gelderland is hij tabak gaan verbouwen tot hij in 1881 overleed.
Een halfzus van overoma, Anna van Delden, was getrouwd met de kunstschilder James de Rijk in Hilversum. Hun zesde kind, Franciscus Wilhelmus de Rijk, komen we in dit verhaal nog even tegen als procuratiehouder bij de firma Gebrs Van Delden & Co.
Maar eerst volgen we de broers Arnoldus en Franciscus.

Arnoldus Johannes van Delden (1804-1885)

Nadat Arnoldus naar Nederlands Indië aankwam, is hij als kleinzoon van een burgemeester al snel betrokken bij het Binnenlands Bestuur. Hij werkt als klerk op de algemene secretarie in Batavia.  In 1822 vertrekt hij vanuit Java naar de Molukken om adjunct-secretaris op de residentie van Amboina te worden. Hij is dan 19 jaar oud. In Amboina bezwangert hij in juli 1823 de dan 13-jarige Henriëtte Walsen. Haar zoon wordt door hem erkend en krijgt de naam Gregorius Arnoldus van Delden.
In 1828 wordt hij als commissaris meegezonden met een missie om Nieuw Guinea in bezit te nemen. Op 24 augustus plant hij de Nederlandse vlag namens Koning Willem I op het dan nog onbekende eiland. De bemanning van Zr.Ms. Korvet Triton begint met de bouw van een sterkte dat de naam van de Gouverneur zal dragen, fort Dubus, de baai krijgt de naam van het schip, de Tritonbaai. Van Delden is de 1ste Commissaris van Nieuw Guinea [3].
Terug in Amboina neemt hij Henriette mee naar zijn nieuwe standplaats Menado, waar zij in 1830 het leven schenkt aan zijn 2de zoon Johannes, twee jaar later aan zijn 1ste dochter Augustine en weer twee jaar later gevolgd door een derde zoon, Franciscus.
In 1835 vertrekt Arnold naar Nederland. Hij telegrafeert op 12 oktober 1837 vanuit Texel een groet naar de krant in Batavia en meldt dat hij op de terugreis is. Aankomst te Batavia op 17 januari 1838. In mei 1838 wordt hij benoemd tot secretaris op de residentie Menado, hij vertrekt zo spoedig mogelijk. Op 10 augustus komt hij aan in Soerabaja en vandaar vertrekt hij op 22 augustus naar Menado. Bijna onmiddellijk na aankomst is hij met Henriëtte getrouwd. Het volgende jaar wordt zijn eerste dochter geboren (1840, voor het eerst dat hij de geboorte van een kind in de krant annonceert).
In 1839 is hij mede-lid van de subcommissie onderwijs in Menado, maar in 1842 wordt hij plotseling op wachtgeld gesteld. Tegelijk had de resident J.P.C. Cambier zijn ontslag genomen. Cambier is op 22 december 1842 overleden. Op 1 januari 1843 komt hij met zijn gezin aan in Batavia om zijn zaak te bespreken. Toch reist hij terug naar Menado, alwaar zijn twee volgende kinderen worden geboren. In 1845  is hij terug in Batavia en  wordt op zijn verzoek eervol ontslagen uit het binnenlands Bestuur (in september dat jaar wordt zijn zoon Karel in Batavia geboren).
De familie reist terug naar Menado. Daar stort hij zich op de handel en richt op 6 januari 1847 samen met zijn broer Franciscus het negotiehuis Van Delden & Co op. 27 juni 1847 wordt zijn negende kind geboren. Het is een jongetje die Benjamin wordt gedoopt, maar drie weken later sterft zijn vrouw Henriëtte Walsen. Juli 1855 hertrouwt hij met Henriëtta Schut. Hij noemt zich A.J. van Delden sr, om verwarring met zijn jongste gelijknamige halfbroer (die in 1938 ook naar Indië is gekomen en in 1853 in Soerabaja trouwde met Barbara Brouwer) te vermijden. Tot 1861 wonen zij nog in Menado. Henriëtta zal nog vier kinderen baren, maar als hun jongste op 1 februari 1870 al na 15 dagen sterft, vertrekken zij naar Holland. Arnoldus Johannes van Delden is op 12 mei 1885 in Utrecht overleden. Hij was toen 81 jaar oud. 

Franciscus van Delden (1810 1872)

Franciscus van Delden was 2de luitenant te Apeldoorn, maar werd in 1833 overgeplaatst naar Indië. Op Sumatra kreeg hij bij een inlandse vrouw, wij kennen haar alleen als Arta, vier kinderen. In oktober 1840 werd hij benoemd tot 1ste luitenant en geplaatst bij de schutterij van Menado. Ook Arta verhuisde mee naar het Noord/Oost puntje van Celebes. In november 1841 werd hun vijfde kindje geboren. Maar het meisje, Anna Machtilda stierf al na twee dagen en week later is ook Arta overleden.
Franciscus vond voor de verzorging van zijn vier kinderen een liefdevolle vrouw, Maria Duyvené, waarmee hij op 24 mei 1843 in Menado is getrouwd. Hij neemt ontslag uit het leger en stort zich op de negotie, vanaf 1847 dus samen met zijn broer in de firma Van Delden & Co.  Later afficheren zij zich als de Gebroeders Van Delden.
De zaken gaan goed en Franciscus zet namens de gebroeders een vestiging op in Soerabaja, al blijven zijn vrouw en kinderen (in middels uitgegroeid tot een elftal) in Menado wonen tot 1853. Vanaf dat jaar is hij vooral actief in Soerabaja, al reist hij regelmatig heen en weer tussen Batavia, de Molukken en Soerabaja, hij woont tot 1860 in Embong Malang (Soerabaja). Zakelijk heeft hij veel te maken met notaris T.A. Klinkhamer (van hem horen we nog als het gaat om de suikerfabriek die in 1856 door de Gebroeders wordt gekocht).
Volgens advertentie in de Oostpost maakt Franciscus vanaf 1 januari 1858 geen deel meer uit van de firma gebroeders Van Delden (hij wordt opgevolgd door zijn zwager Suffridus Eerdmans). Op 18 januari 1860 vertrekt hij met zijn gezin naar Nederland de zaken worden behartigd door Anemaet en Co.
In De Haag maakt hij in 1861 deel uit van een aanbevelingscomité t.b.v. de slachtoffers van de overstromingen op Java. In november 1864 vertrekt Franciscus met zijn gezin (4 kinderen) weer naar Batavia (aankomst 11 januari 1865). Dat jaar kopen de Gebrs. Van Delden de suikerfabriek [4]. Hij woont in Modjokerto als op 22 februari 1868 zijn zoon Reinier overlijdt. Hij bemoeit zich voornamelijk met de suikerproductie/-handel, onafhankelijk van de Gebroeders (ook A. van Delden handelt op eigen titel). Franciscus woont in 1871 o.a. in Patok (ten zuiden van Soerabaja richting Malang). Hij is overleden te Soerabaja (of Batavia, de bronnen spreken elkaar tegen) op 28 oktober 1872. De weduwe vertrekt naar Europa (zij is overleden in Menton – Frankrijk bij haar dochter Françoise.
Als de gebroeders in 1856 de suikerfabriek overnemen wonen ze dus al een tijdje in Soerabaja al blijft de vestiging in Menado ook dan nog actief. Franciscus was een bekwaam administrateur. Hij deed de administratie van de suikerfabriek. Toen hij in 1872 overleed, was er nauwelijks ruimte voor rouwbeklag, maar moest men naarstig op zoek naar een nieuwe administrateur. 

De fa. Gebrs. Van Delden

Volgens de Javasche Courant Hebben de broers Van Delden hun negotiehuis opgestart onder de naam Firma Van Delden & Co in januari 1847.
Zowel Arnoldus (secretaris van de resident) als Franciscus (luitenant in de schutterij van Menado) hadden alle ruimte om handel te drijven voor en tussen de Molukse eilanden. Later was er vooral sprake van handel tussen Java of Soerabaja, waar de handelsschepen aankwamen en Menado. Vooral nadat Franciscus zich in Soerabaja vestigde bloeide de firma als nooit tevoren. Zoals wij zagen was de onderneming van de broers zeer succesvol. Er waren middelen genoeg om de uitgebreide kinderschaar op te voeden en te laten scholen.
Op 1 januari 1858 is Franciscus uit de gebroeders gestapt. Zijn plaats in de Gebrs. wordt overgenomen door Suffridus Hendrikus Eerdmans (mijn betovergrootvader), die getrouwd was met zus Wilhelmina van Delden.
Zie:oostpost 18 feb1858

Op 27 juli1861wordt Franciscus Willebrordus de Rijk (1841-1917) procuratiehouder van de firma Van Delden.
Franciscus de Rijk is een zoon van zus Anna van Delden, die getrouwd is met de Hilversumse kunstschilder James de Rijk. Later (1870) gaat Franciscus in verzekeringen bij zijn schoonvader de fa. Blavet assuradeuren. Om meer status te krijgen laat hij (of zijn zoon de beroemde jurist mr. Ferdinand Maximiliaan de Rijck van der Gracht) zijn familienaam veranderen in De Rijck van der Gracht.
Ook de andere zonen van Arnold hebben kortere of langere tijd voor de firma gewerkt. De handelswaar werd ook in detail verkocht in de toko’s van de gebroeders Van Delden. Er was een zaak in Menado, een in Soerabaja en een in Kedirie. De handel wisselde nogal en was afhankelijk van wat de schepen aanvoerden. Dus men verkocht levensmiddelen als boter, kaas, melk, vlees (zowel vers als in blik. Maar ook haring, ansjovis (“anchovisch”), rijst, meel, zout en suiker. Een belangrijk product was ook drank: wijn, port, champagne, cognac en jenever. Maar het meest divers was het non-food: kaarsen, lampen, lampenglas, petroleum, linnengoed, dameshoeden en politoer. Maar ook groter “spul” als: piano’s, rijtuigen, brandkasten, soms een heel schip inclusief lading of een woonhuis.
In de jaren tachtig had de Gebroeders Van Delden een grote naam in de regio Soerabaja. Aan het eind van de eeuw wordt de concurrentie steeds sterker en men heeft te kampen mat tegenslagen. In 1904 gaat de zaak failliet.

Suikerfabriek Koning Willem II

Al in 1824 werd door koning Willem I de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) opgericht. De NHM verhandelde de producten die de belasting in natura, het Cultuurstelsel, opleverde. Maar al snel begon de NHM eigen ondernemingen op te zetten om de productie in goede banen te leiden, waarbij de inheemse bevolking niet werd gespaard (zie Max Havelaar, Multatuli). Een van de suikerondernemingen was de suikerfabriek Koning Willem II die, zoals de naam doet vermoeden, kort na 1840 zal zijn gesticht. De administrateur van de suikerfabriek, Francis Dawson Stavers, schrijft in 1854 een enthousiaste brief naar de krant om zijn tevredenheid uit te spreken over de nieuwe centrifuge. “Mijne hoofdsuiker gaf mij in 15 minuten steeds 50% no 18 à 20, de Pantattans van hoofdsuiker in 8 à 10 minuten”.
Ik heb verder geen gegevens over de productiviteit uit die beginperiode kunnen vinden, maar op 28 februari 1865 zet het agentschap Factorij van de NHM de suikerfabriek te koop. In juni van dat jaar wordt de fabriek verkocht aan de gebroeders Van Delden en notaris Klinkhamer. Het is de wens van Franciscus om een eigen onderneming te runnen. Hij investeert f 300.000,- zijn broer Arnold en notaris Klinkhamer doen mee met ieder f 75.000,-. Met kosten mee betalen ze zo f 451.000,- voor de fabriek. Franciscus wordt administrateur. Als Franciscus in 1872 overlijdt moet men op zoek naar een nieuwe administrateur. Ik heb niet kunnen vinden wie dat is geworden, maar de fabriek draait door en doet het goed.
Arnoldus van Delden is in 1885 overleden en ook dokter P.L. Onnen, die de aandelen van T.A. Klinkhamer had overgenomen, is dan al overleden. Om de erfeniskwestie goed te regelen wordt er in 1891 de “Naamloze Vennootschap Maatschappij tot exploitatie van de suikeronderneming koning Willem II” opgericht door alle eigenaren van aandelen. De waarde van de aandelen worden nu vastgesteld op f 492.000,-, verdeeld in 984 aandelen van f 500,- per stuk. De erfgenamen van Franciscus krijgen er 656, die van Arnold 162  en van  dr. Onnen krijgen ook samen 162 stuks, (zie hierboven hoe die verdeeld zijn).
Het bedrijf wordt met wisselend succes gerund.

Volgens het Koloniaal Verslag voor de 2de Kamer in 1897 presteren zij bijzonder goed.
De NV Koning Willem II (of Modjosari) heeft:

Oppervlakte met suikerriet beplant                708,5 bouws [5]
Productie in pikols [6]                                         70.850
Gemiddelde productie per bouw                      100
Aantal vaste arbeiders                                        170
Losse arbeiders gemiddeld                                0 à 200

Daarmee zijn zij   De 5de in grootte in het gebied (van 21 bedrijven).
De 10de in productie efficiëntie.
De 2de in aantal arbeiders.

Een aantal jaren gaat het goed maar de recessie eind twintigerjaren hakt er in. De fabriek maakt miljoenenverliezen. In oktober 1931 wordt het voltallige personeel ontslagen (zonder dat er een afvloeiingsregeling is getroffen). Mensen die al jaren op de onderneming wonen worden met vrouw en kinderen hun huis uitgezet. Men hoopt op een doorstart, maar de tijden zijn onzeker. In 1933 staat de 100-jarige fabriek al twee jaar stil en wordt in de wandeling “De Gekroonde Wanhoop” genoemd.[7] Ook in 1935 is er nog geen productie.
In het Nationaal Archief vindt men stukken over de onderneming onder nummer: 2.20.81
BB.27 Archief van de NV Maatschappij tot Exploitatie van de Suikeronderneming Koning Willem II, 1891-1939
De NV Maatschappij tot Exploitatie van de Suikeronderneming Koning Willem II werd opgericht op 21 maart 1891. Zij was statutair gevestigd te Soerabaja. Doel was de exploitatie van de suikeronderneming Koning Willem II gelegen in het regentschap Sidoardjo. Het maatschappelijk kapitaal bedroeg bij aanvang ƒ 492.000,-, verdeeld over 984 aandelen van ƒ 500,-. In 1931 werd getracht met behulp van een nieuwe emissie het bedrijf te reorganiseren. Vanaf dat jaar voerde de NHM de directie over het bedrijf. De praktische uitvoering van deze taak werd toebedeeld aan de Factorij; de statutaire zetel werd daarom overgebracht naar Batavia. Gezien de slechte economische vooruitzichten werd reeds in 1934 besloten de fabrieksinstallatie te slopen en de eigendommen te gelde te maken. In 1937 besloten de aandeelhouders tot liquidatie van de vennootschap. Op 29 december 1939 werd de liquidatierekening vastgesteld en de vennootschap ontbonden.

 

[1] Dit betreft mr. T.A. Klinkhamer, die in 1853 afstudeerde in Leiden op het proefschrift: “De Negotis Simulatis” en vervolgens enige jaren ver bonden was aan de rechtbank in Amsterdam . In 1857 vertrok hij naar Indië om (waarnemend) notaris in Soerabaja te worden. Hij was betrokken bij veel transacties van de fa. Gebrs Van Delden en ook bij de verkoop van het huis van F. van Delden toen die naar Nederland vertrok. Klinkhamer moest het kapitaal van Van Delden beleggen, kennelijk besloot hij mee te doen in de aankoop van de suikerfabriek. Ik vermoed dat de notaris Klinkhamer later zijn aandelen heeft verkocht aan dokter P.L. Onnen.

[2] Van Arnold en Henriëtte is op 6 februari 1870 nog een zoontje geboren, maar daarvan heb ik verder geen gegevens kunnen vinden. Omdat hij niet genoemd wordt vermoed ik dat hij al voor 1891 is overleden.

[3] https://www.delpher.nl/nl/kranten/view?query=%22a.j.+van+delden%22&coll=ddd&page=1&sortfield=date&identifier=ddd%3A010242906%3Ampeg21%3Aa0002&resultsidentifier=ddd%3A010242906%3Ampeg21%3Aa0002

[4] Volgens het krantenbericht is het de firma Gebrs. Van Delden die de suikerfabriek koopt. Maar het is vooral op initiatief van Franciscus dat de suikerfabriek Koning Willem II wordt gekocht met financiële hulp van zijn broer en van notaris Klinkhamer. Alleen kon Franciscus die f 451.000,- niet opbrengen. De verhouding was daarom:  Franciscus nam 4/6 deel ,  Arnold nam 1/6 deel  en ook notaris Klinkhamer nam 1/6 deel voor zijn rekening . Dus Franciscus betaalde f 300.000,-, Arnold en Klinkhamer elk f 75.000,-. Ook de resterende f 1000,- (kosten ?) werden gezamenlijk gedragen.

[5] Een bouw = 500 vierkante Rijnlandse roeden = ca 7100 m2

[6] De pikol is een oude Maleise eenheid van gewicht, overeenkomend met het gewicht dat een arbeider kon dragen. De pikol kwam overeen met ongeveer 62 kg. 20 pikol was een kajong, ongeveer overeenkomend met een last. … http://nl.wikipedia.org/wiki/Pikol

[7] Soerabajasch Handelsblad 6 juli 1933

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | Een reactie plaatsen

Over buren, overburen

Tegenover ons huis in Hilversum stond een villa met een mysterieuze uitstaling. Of eigenlijk was het een dubbele villa, met vele afdakjes, erkers en balkons. De ene helft werd bewoond door een hartchirurg met zijn gezin. Daar was weinig geheimzinnigs aan. Sterker nog vanuit onze serre hadden wij een riant uitzicht op hun huiskamer, zodat we bijna konden zien wat zij aten die dag. Maar de andere helft was een stuk spannender. In dat gedeelte van het huis woonden maar drie personen. Een oude dame, een dame van middelbare leeftijd en een jongen van mijn leeftijd ongeveer. Om onopgehelderde redenen hadden wij nauwelijks contact met hen. Als ik met mijn broer en zusjes buiten speelde, werd daar door andere kinderen uit de straat met enthousiasme aan deelgenomen. Maar de jongen van de overkant, waarvan ik na verloop van tijd wist dat hij Peter heette, deed daar nooit aan mee. Nog wonderlijker werd het toen ik hoorde dat de oude mevrouw een schoonzusje was van onze tante Miesje. Tante Miesje was in Indië getrouwd geweest met “Oom Jo”. Helaas was oom Jo al na drie jaar huwelijk overleden en behalve dat hij nog wel eens in de dromen van tante Miesje voorkwam, waarna hij als bewijs van zijn verschijning “zijn schoenen onder het bed achterliet”, ben ik niet veel over deze oom te weten gekomen. Toch was het vreemd dat tante die vrij vaak bij ons op bezoek was nooit contact zocht met haar schoonzus.
Mijn vader heeft wel pogingen gedaan om contact te leggen. Vader was een matig violist, maar bovenmatig geïnteresseerd in muziek. Toen hij hoorde dat Peter een instrument bespeelde, nodigde hij hem uit om bij ons eens te komen spelen. Inderdaad heeft Peter ooit zijn hele drumstel naar onze salon verhuisd. Maar het verpletterende concert dat hij ten beste gaf, dreef ons gezin tot een waanzinnige vlucht. Alleen mijn vader bleef in zijn fauteuil zittend met een stoïcijns gebaar aan zijn pijp lurken. Toen Peter uit getrommeld was, viel er een doodse stilte. “Heel mooi”, zei mijn vader uiteindelijk, maar Peter kwam er bij ons niet meer in.
peters concert
Een foto van het legendarische concert is er niet gemaakt vandaar dit schamel schetsje.

Geplaatst in diversen, Geen categorie | 2 reacties

Internetstoring

Het mooie van een internetstoring is, dat je kan schrijven zonder dat je ieder feit wil checken.
Vooral als ik schrijf over iets uit mijn genealogie heb ik de neiging om ieder gegeven dat ik vermeld te controleren. Schrijf ik over een persoon die in mijn genealogische programma Aldfaer voor komt dan heb ik geen internet nodig. Het staat allemaal op de harde schijf van mijn computer. Maar gaat het over een gebeurtenis, dan wil ik dat alle gegevens kloppen. Dan wordt ieder jaartal, elke plaats of andere omstandigheid geGoogled (Mijn spellingscontrole kent dit woord niet. Is het gegoogled   gegoogeld, gegoocheld, of gekoekeld? ). Ik bedoel dat in dat geval via Google wordt gezocht naar informatie over dat feit.

Vorige week werd ik midden in de nacht, ik geloof dat het rond vier uur was, in mijn slaap opgeschrikt door een hard geluid. Ik kon niet onmiddellijk bedenken waar het mogelijk vandaan kwam. Was het in huis of kwam het van buiten? Ik bleef nog even liggen om goed te luisteren. Het kon immers ook een droom geweest zijn. Het was stil, maar na een tijdje hoorde ik een vreemd schrapend geluid, dat overduidelijk van buiten kwam. Ik vermoedde dat iemand met een rolcontainer aan het schuiven was. Niet op de wieltjes maar op de zijkant. Dat kwam omdat een van de buren een container, nadat die geleegd was,  op de stoep had achtergelaten. Een stormvlaag had de container omgeblazen.  Omdat het nog steeds hard waaide, had ik het ding plat op onze oprit gelegd.
Ik stapte uit bed om te kijken wat er aan de hand was. Aan de overkant van de straat zag ik een zwarte auto staan met gedoofde lichten. (Er geldt een parkeerverbod in onze straat.) Achter de zwarte auto stond een gele sportwagen in een vreemde positie op de stoep. Een duister figuur liep om de wagen heen en stapte in. Hij probeerde de auto te verplaatsen, hetgeen dat schrapende geluid veroorzaakte. Op dat moment verscheen er een surveillancewagen van de politie. “Een dronken bestuurder betrapt”, dacht ik en stapte terug in bed. Spoedig was ik weer in een vredige slaap verzonken.
De volgende morgen. Ik liep naar mijn auto op de parkeerplaats aan de overkant. Daar zag ik welke ravage er die nacht was aangericht. Op de stoep staan twee metalen kasten van Ziggo voor de verdeling van de signalen voor kabel-tv en internetverkeer. Beide kasten waren voluit geraakt. Een was helemaal afgebroken, omgevallen en slechts door enkele kabels en groene slangen verbonden met het gat in de grond op de plaats waar ie oorspronkelijk had gestaan. De andere kast had ”alleen” een flinke deuk opgelopen nu aan de andere kant dan waar de deuk zat die met Pasen bij een aanrijding was ontstaan. Tussen beide kasten lag een flink stuk geel “bodywork” en op de parkeerplaats stond de rest van het wrak. Even twijfelde ik of ik bij Ziggo, gemeente en/of politie een melding moest maken. Maar toen realiseerde ik dat er vannacht al politie bij geweest was.

Na mijn boodschappen controleerde ik, voor de zekerheid, het tv- en internetsignaal. Alles werkte normaal, dus vergat ik het voorval. Wel zag ik de dagen daarna dat de brokstukken van de auto waren opgeruimd, maar de ene kast bleef op zijn kant liggen met een gapend gat dat later mooi dicht sneeuwde.

ziggo
Vanmorgen vroeg was er een wagen van Bam of Liander gekomen met drie mannen in oranje pakken die de grond openbraken. “Ha, ze gaan aan de slag.” Nog realiseerde ik mij niet dat we daardoor geen tv of internet hadden. Dat merkte ik pas toen ik aan de slag wilde. Een stukje over Oom Lou (Aloysius Herbschleb) had ik in gedachte. Maar de noodzakelijke fact-check kon ik niet uitvoeren. Daarom maar dit stukje. Dat ik pas kan plaatsen als de mannen aan de overkant klaar zijn.

NU DUS

Geplaatst in diversen, Geen categorie | 2 reacties

Christiaan Martinus Broens

Ik ben nog steeds op zoek naar het lot dat Christiaan Broens heeft getroffen en waarom hij zo lang afwezig is gebleven en of hij ooit nog in het gezin is weergekeerd. Hier de akte die melding maakt van zijn afwezigheid. Daaronder een transscriptie om het lezen te vergemakkelijken.

waar is hij gebleven

Op den zevenden Augustus des jaars Achtienhonderd vier en tachtig configureerden voor mij Cornelis Johannes Bruijnel Gerlach Matinuszoon, Notaris te Amsterdam in tegenwoordigheid de na te noemen getuigen. De Heeren: 1.  Johannes Broens, Gepensioneerd Rijks ambtenaar, woonachtig alhier, Houtmanstraat 13 2.  Bamel Gerrit van den Burgh, Horlogemaker, woonachtig alhier, Saenredamstraat 22 3.  Johannes Gerard Broens, kantoorbediende, woonachtig alhier, Pieter Vlamingstraat 26 En 4.  Martinus Christiaan Schenk, kunstschilder, mede alhier woonachtig, Eerste Parkstraat 446.
Welke comparanten verklaarden dat Christiaan Martinus Broens, vroeger van beroep horlogemaker, alhier ter Stede woonachtig en gehuwd geweest met Mejuffrouw Wilhelmina Petronella Busker den zevende November Achtienhonderd een en tachtig zijne woning heeft verlaten en voortdurend afwezig is gebleven; dat Zij, Comparanten, niet weten waar hij zich ophoudt en of hij levend dan wel dood is, zoodat hij buiten de mogelijkheid is zijn wil te verklaren en Zijne toestemming te verleenen tot het huwelijk hetwelk Zijne minderjarige dochter Barendina Catharina Broens , zonder beroep, woonachtig te Nieuwer Amstel, geboren uit zijn huwelijk met zijne voormelde echtgenoote, voornemens is aan te gaan met Gerardus de Vries, Schoenmaker, mede aldaar woonachtig. Verklarende Zij Comparanten  voorts bereid hunne voormelde verklaring  des gevorderd nader met Ede te bevestigen. Waarvan Akte Gedaan en verleden te Amsterdam enz. enz.

De persoon 1 is de vader van Christiaan (waarom het hier gaat), 2 is een voor mij onbekende collega van Christiaan, 3 is zijn 23 jarige zoon, die nog thuis woonde. 4 is Martinus Schenk, een neef van Christiaan. Diens vader was een broer van zijn moeder, Catharina Broens.

Je zou denken dat het bevolkingsregister van Amsterdam voor opheldering kan zorgen, maar nee, hun gegevens scheppen alleen maar meer verwarring. Van mei 1876 tot mei 1880 1880 woont het gezin op Lindegracht 2 huis. Van mei 1880 tot mei 1883 wonen zij op de Singel 89. In mei 1883 (vader is dan kennelijk al meer dan een jaar spoorloos) verhuist het gezin naar de Pieter Vlamingstraat 26. Daar blijven zij wonen tot februari 1886. (Al is inmiddels Barendina getrouwd en Christiaan junior naar kostschool in Middelheim vertrokken.)
Dan verhuist Hendrika van de Zande (zijn 2de vrouw) met de overgebleven kinderen naar Watergraafsmeer. Bij Christaan staat ook dat hij naar Watergraafsmeer is vertrokken al wordt bij hem geen datum genoemd. Helaas zijn de gegevens van de burgerlijke stand van Watergraafsmeer niet op internet beschikbaar. Wel weet ik dat zijn vrouw uiteindelijk is vertrokken naar Velp (haar geboorteplaats), waar zij in 1897 op 67-jarige leeftijd is overleden als de weduwe Broens.

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 4 reacties