Suffridus Eerdmans: feuilletin 29

29

Suffridus maakte op zaterdagmiddag zijn opwachting bij de receptie van de herberg De Jonge Graaf. Hij vroeg de receptionist naar mevrouw Verheijen die geacht werd in de herberg te logeren. De jongeman achter de balie keek hem een beetje wezenloos aan maar besloot na enige tijd toch maar om het receptieboek te raadplegen.
“Nee”, zei hij, “wij hebben geen dame met die naam hier in huis.”
Omdat de jongen er niet zo heel snugger uitzag, drong Suffridus aan om nogmaals te kijken.
“Het is een dame uit Utrecht die hier samen met haar dochter logeert.”
“Echt niet meneer”, verzekerde de bediende, “er logeert hier niemand die aan uw beschrijving voldoet.”
Wanhopig richtte Suffridus zijn ogen te hemel. Daar zag hij achter de balustrade van de overloop op de eerste verdieping twee dames lopen waarin hij onmiddellijk de door hem zo hartgrondig gezochte personen herkende. Zonder iets tegen de receptionist te zeggen snelde hij naar de trap en rende naar boven. Daar botste hij bijna tegen Anna Verheijen op.
“Hola meneer Eerdmans”, riep ze verbaasd uit, “Is er brand in het pand en komt u ons redden?”
Suffridus voelde zijn wangen gloeien en zocht haastig naar woorden.
“Ik was bang dat jullie al vertrokken waren”, stamelde hij. Terwijl hij zijn hoed afnam en een buiging maakte om zich een houding te geven.
Mevrouw Verheijen barstte uit in een schaterende lach en ook Geertruida overzag geamuseerd het tafereel.
“Vanwaar die angst Eerdmans, ons vertrek zal u toch geen vrees inboezemen? Inderdaad staan wij op het punt naar Utrecht af te reizen. Het wachten is op meneer Verheijen, die is soms zo druk dat hij ons misschien wel vergeten is. U heeft hem nog niet gezien vandaag? Ik zal eens informeren bij die blaag daar beneden. Hoewel ik denk dat hij nog geen koning van een konijn kan onderscheiden. Hij zou onze bagage ophalen maar heeft dat nog altijd niet gedaan.”
Ze keuvelde door terwijl ze de trap afliep naar de balie van de receptie, maar Suffridus hoorde het niet meer. Hij vatte de hand van Geertruida en zei dat het hem zo speet dat zij moesten vertrekken. Maar hij prees zich gelukkig dat hij hun nog aantrof hier in de herberg. Al vond hij het heel jammer dat hij zijn uitnodiging voor het bezoek aan de schouwburg voor de aanstaande maandag nu zinloos was geworden. Geertruida verzekerde hem dat zij de intentie enorm waardeerde en dat ze onder andere omstandigheden graag van zijn uitnodiging gebruik had gemaakt. Suffridus moest begrijpen dat zij hier geheel afhankelijk was van de motieven van oom Willem en de terugreis naar Utrecht was nu eenmaal gereserveerd.
Bij de balie was mevrouw Verheijen in druk gesprek gewikkeld met de bediende. Of eigenlijk was zij bezig hem flink de oren te wassen. Zodat Suffridus een heimelijk lachje niet kon onderdrukken.
“Zo”, dacht hij, “Die vergeet voorlopig niet dat hier een Mevrouw Verheijen heeft gelogeerd.”
Geertruida ondertussen scheurde een blaadje uit het boekje dat op de balie lag en schreef met de klaarstaande pen er iets op. Zij drukte het Suffridus in de hand en terwijl zij hem diep in de ogen keek zei ze met een lief stemmetje: “Hier is mijn adres. Ik hoop dat u nog eens wil schrijven hoe het u hier in Den Haag vergaat.”
Suffridus borg het papiertje zorgvuldig in de zak van zijn rok en controleerde wel drie keer of de knoop goed was gesloten. Plotseling zwaaide de deur naar de straat open en daar verscheen Willem Verheijen gevolgd door een palfrenier.
“Anna, Geertje, we kunnen vertrekken”, bulderde hij door de ruimte. Zijn hoofd was rood aangelopen en zijn driftige stap verrieden dat een en ander niet zonder slag of stoot geregeld was. De bediende die zich eindelijk over de bagage van de gasten had ontfermd schoot tevoorschijn en samen met de palfrenier droegen zij de dozen en koffers naar buiten. Willem begroette Suffridus nogal afstandelijk, waaruit de laatste opmaakte dat hij geen onuitwisbare indruk bij de zakenman had achtergelaten. Toch begeleide hij het gezelschap naar buiten. Daar stond een prachtige nieuwe diligence met twee kittige paardjes die af en toe geestdriftig hun hoofdjes briesend ophieven. Met hun beslagen hoeven maakten zij ongeduldige klakgeluiden op de stenen van het plaveisel.
Voor Suffridus er erg in had was de bagage gestouwd en iedereen aan boord. De koets stoof weg nagestaard door de verbouwereerde Suffridus. Hij klopte op de jaszak waarin hij het adres van Geertruida bewaarde.
“Pfff”, ontsnapte hem, want hij besefte hoe hij op het nippertje het noodlot naar zijn hand had gezet.

Er viel hem een aardig melodietje in en hij lachte naar de mensen die hem verbaasd aankeken zoals hij daar vrolijk fluitend langs de gevangenpoort wandelde.
Helaas trof hij Arnoud niet op hun kamer in de Casuariestraat. Hij wilde zijn vreugde met  iemand delen. De hospes was een sacherijn en trouwens veel te druk in zijn zaak beneden.
Hij had beloofd om te schrijven en dus haalde hij zijn beste postpapier, pen en inktstel tevoorschijn en zette zich aan het tafeltje voor het raam.
Lieve juffrouw Verheijen. Nee, hij streepte het weer door.
Beste Vriendin. Hij streepte Beste door en maakte er Waarde van. Maar ook dat werd verworpen.
Geachte Mejuffrouw Verheijen. Te afstandelijk.
Hoogstgewaardeerde Geertruida. Nee.
Waarde Geertruida.
Nee hè.
Lieve lieve Geertruida.
Zucht.
Lieve beste Geertruid
a. Zùùùùùùcht.

Inmiddels zag zijn vel papier er volkomen onverstuurbaar uit. Dus pakte hij een nieuw blad en begon met de woorden: Beste Geertruida

Beste Geertruida, “vriendin”, had ik er aan toe willen voegen, maar ik weet niet of dat al te vrijpostig is na de korte ontmoetingen die ik met u mocht hebben. Voor mij waren die ogenblikken weliswaar veel te kort, maar wel van wezenlijk belang. Zij staan in mijn geheugen gegrift tot in de eeuwigheid, waarvan ik hoop dat die nog lang op zich zal laten wachten. Uw verschijnen in mijn leven hebben de dagen gekleurd met het diepe goud van uw haren, het onpeilbare blauw van uw ogen, de blankheid van uw huid en het rood van uwe wangen. Hoe anders dan de grauwheid en de verschrikkingen van de oorlog die mij dreigde te versomberen en mijn stemming somtijds liet dalen tot het diepste zwart.
Was het ons vergund geweest om langer in elkaars gezelschap te vertoeven had ik u graag uitgenodigd om samen het nieuwste blijspel van de dichter Kotzebue te gaan zien hier in Den Haag. Nu zal ik er heen gaan met mijn vriend en kamergenoot Arnoud Verheijen, uw geachte achterneef. Hoe plezierig zijn gezelschap ook is, steeds zal ik er aan denken hoe het zal zijn om naast u te zitten en met u van gedachten te wisselen over de spitsvondige teksten van de dichter en het heerlijke spel van de Nationale Tonelisten.
Ik hoop dat u in de gelegenheid zult zijn om mij te antwoorden, want er is niets dat ik liever zou willen dan u te leren kennen, te weten hoe u denkt en wat uw gedachten en verlangens zijn.

Ik sluit af met de wens dat de thuisreis u goed is bekomen en dat u mij in goede gezondheid kunt delen in uw wederwaardigheden.

De u toegenegen,
Suffridus Eerdmans

Advertenties

Over hanskwaster

I'm born in 1944 in Haarlem The Netherlands. My profession is visual artist and art teacher. I am married and have two sons.
Dit bericht werd geplaatst in Suffridus Eerdmans. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s