Nog even over Antonius (Ton) Brugman

Jan Brugman was een halfbroer van onze moeder. Ik heb hem nooit ontmoet en vraag mij zelfs af of mijn moeder hem ooit ontmoet heeft. Hoe dat kwam heb ik eerder beschreven op mijn blog (zie hier). Onlangs ontdekte ik dat er nog een halfbroer en nog een halfzuster hebben geleefd, waarvan ik het bestaan nooit heb geweten (zie mijn vorige post).
Omdat er niemand meer is die ik daarnaar kan vragen speur ik in de archieven voor meer informatie.
Dit is wat ik tot nu toe te weten ben gekomen:

Voordat Opa Brugman met mijn Oma trouwde, was hij getrouwd geweest met Cornelia Gouverneur. Met haar had hij zes kinderen drie jongens en drie meisjes. Zij hadden als Katholieke kinderen heel veel namen, maar ik noem ze: Frans, Jan, Ton, Betsie, Corrie en Mina.
Na de dood van hun moeder zijn de kinderen eerst door mijn oma (die net weduwe was geworden) verzorgd. Maar nadat zij zwanger was geraakt door Opa Brugman heeft vader Gouverneur zich over de kinderen ontfermd. De jongens zijn naar een tehuis in Nederweert gegaan waar zij school liepen en een vakopleiding kregen. Frans werd tuinder, Jan werd kleermaker en Ton werd opgeleid tot broodbakker. De twee oudste meisjes Betsie en Corrie gingen naar een tehuis van de Zusters van Liefde in Amsterdam, maar Mina ging mee naar Oud-opa Schenk, op wiens adres ook Jeanne (officieel heette Oma  Jeane met maar één “n”) en Frans (Opa) werden ingeschreven. Nadat mijn moeder was geboren en Frans (matroos) weer eens aan wal, zijn Opa en Oma getrouwd (1910). Al snel kwam er een tweede kindje (Helena, 1911).  Oud-opa en oma Schenk gingen naar Sint Jozef (het bejaardenhuis aan de Plantage Middenlaan) en Opa en oma Brugman gingen in Bussum wonen. Mina ging aanvankelijk met hen mee naar Bussum, maar is later verhuisd naar haar oom Gerard Gouverneur in Amsterdam. Daar bleef zij wonen tot haar huwelijk met Hendrik Legué (1926).
De andere kinderen uit Opa’s eerste huwelijk hadden al veel langer geen enkel contact meer met hun vader. In 1920 trouwen zowel Frans (18 februari) als Jan (15 december). Beiden leggen bij hun huwelijk een verklaring van de notaris voor, waarin staat dat hun vader niet heeft gereageerd op een oproep om toestemming te geven voor hun huwelijk.
Na de dood van zijn moeder is Ton dus samen met zijn broers en zussen in huis gekomen bij zijn grootvader Gouverneur. Anton heeft daar gewoond van 24/4/1908 tot 15/9/1908 , Oosterparkstraat 30 III. Daarna is hij samen met zijn broers Frans en Jan naar een kindertehuis (weeshuis) in Nederweert gegaan. Daar kreeg hij een opleiding tot bakker. Hij woonde van 8/5/1916 tot 3/7/1917 en ook van 5/5/1919 tot 2/7/1919 en van 8/5/1920 tot 24/11/1920 in Tilburg en is dan bakker van beroep. Daarna is hij vertrokken naar Amsterdam en  is gaan varen bij de KNSM (grote vaart} als stoker. Op 28/4/1924 is hij terug uit West-Afrika, maar gaat op 20/9/1927 weer naar zee. Hij blijft stoker maar nu op de “wilde vaart”. Als hij zich op 19/8/1930 weer in Amsterdam inschrijft geeft hij op: “Komend van Engeland”. Hij is nog steeds ongehuwd en woont vanaf 30/12/1937 bij zijn broer Jan in de Balthasar Floriszstraat 32″. Volgens de persoonskaart woont hij tot 1940 Balthasar Floriszstraat 32 “” (4 hoog). Daarna verhuist hij naar de 1ste Jan Steenstraat 130 hs. In 1948 op de Adriaan van Ostadestraat 320″. Een jaar later Transvaalstraat 36 hs, maar op 1/6/1962 op nr 35″ en op 28/9/1966 Transvaalstraat 35′.
Waarom al die adressen vraagt u zich misschien af. Wel omdat er iets is bij die jongens dat ik niet begrijp.
Zoals ik aangaf woont Ton in hetzelfde huis als Jan en zijn gezin. Later betrekt hij de zolderkamer van dat pand. Ook als Jan met vrouw en kinderen verhuist naar de Eerste Jan Steenstraat gaat Anton mee naar dat adres. Maar in 1948 verlaat Anton het gezin van Jan en gaat wonen in de Van Ostadestraat. Dan in 1949 verhuist Jan naar een ander pand in de Jan Steenstraat, maar zijn vrouw Maria gaat in de Transvaalstraat wonen, hetzelfde adres waarheen ook Anton verhuist. De Kinderen van Jan en Maria (26, 27 en 28 jaar) zijn dan al getrouwd en het huis uit. Jan zal daarna nog een aantal malen verhuizen, maar Maria en Anton blijven in de Transvaalstraat wonen.

Als Jan in 1966 voor het eerst een prijs wint met een van zijn schilderijen is dat voor het werk “Herinneringen aan mijn vrouw”. Het doek is gevuld met kleurige bloemen waar doorheen een vrouw, omringd door katten, schemert.
Het wekt de suggestie dat zij is overleden, terwijl zij tot 1972 heeft geleefd.

Als er in 1978 het boek “Naïeve schilders zien ons land” verschijnt is ook Jan al drie jaar dood. Toch staat in dat boekje een foto waarop hij samen met Maria prijkt in zijn kleermakers atelier vol met zijn schilderijen. Zij zien er uit als een gelukkig echtpaar.

IMG_5607

Dit is Jan Brugman en zijn vrouw Marie Brugman-van Kuijk met enkele van zijn schilderijen aan de muur.  

Advertenties

Over hanskwaster

I'm born in 1944 in Haarlem The Netherlands. My profession is visual artist and art teacher. I am married and have two sons.
Dit bericht werd geplaatst in Geen categorie, genealogie. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s