Het eeuwige leven

Mijn moeder bereikte de mooie leeftijd van tachtig jaar, net als haar moeder overigens. Haar vader was vierentachtig toen hij het moede hoofd ter ruste legde. Mijn andere oma bereikte de gezegende leeftijd van negentig jaar en werd daarmee twaalf jaar ouder dan opa De Vries, die de ontberingen in het Jappenkamp niet overleefde.
Toch rees bij mij de vraag: Zijn er nog voorouders van mij te vinden die de honderd bereikt hebben?
Ik heb lang gezocht in mijn genealogie, maar niemand gevonden met een “eeuwig” leven.
Voor mijn oudste voorvader moest ik zelfs terug tot de late middeleeuwen. Daar vond ik ene Douwe van Aylva.
Douwe (what’s in a name) werd geboren in het vroege voorjaar van 1340 in het Friese plaatsje Witmarsum. In dat dorp overleed hij net voor Kerstmis in het jaar 1439. Daarmee had hij net de honderd niet gehaald. Hij kreeg vast een mooie katholieke begrafenis, want het was bijna honderd jaar voor pastoor Menno Simons in Witmarsum de kerk hervormde en daarmee de stichter werd van de doopsgezinden of wel de Mennonieten.
Om uit te leggen hoe Douwe van Aylva tot mijn voorouders gerekend wordt moet ik geduldig te werk gaan en vraag van mijn lezers hetzelfde.


De zoon van Douwe heette Epe van Aylva, geboren in 1360 in Witmarsum en getrouwd met een meisje met de naam Tede (over haar ben ik verder niets te weten gekomen). Epe werd 49 jaar.
Diens zoon Tjeart van Aylva, geb. 1385, werd 65 jaar en was in 1410 getrouwd met Swob Juwinga.
Hun zoon Epo van Aylva uit 1411 werd 64 jaar en was in 1433 getrouwd met een dochter van Jongema.
Hun zoon, ook een Epo van Aylva, 1435, trouwde met Ebel Juwsma en stierf in 1494, 59 jaar oud.
Zij kregen een jongen die zij verrassenderwijs Epe hebben gedoopt in 1464. Epe werd 70 jaar en was getrouwd in 1485 met Beatrix Walta met wie hij onder andere een zoon kreeg met de naam Tjeart.
Deze Tjeart, geboren in 1495, trouwde in 1517 met Ulbet Tadema van Hania uit Jorwerd, maar zij woonden toch in Witmarsum tot hun dood in 1545, 47 en 50 jaar oud.
Hun zoon Ulbe van Aylva, 1532, werd 49 jaar en was getrouwd in 1570 met Saepck Wynia. Zij verlieten Witmarsum. Hun zoon Tjeart werd geboren in Rinsumageest, ruim vijftig jaar nadat de Bourgondiërs in de Hollands-Friese oorlog het dorp hadden platgebrand. Zij bewoonden de state van de familie van Aylva.
Tjeart van Aylva leefde hier van 1570 tot 1628 samen met zijn bruid. Dat was zijn nicht Jels van Aylva. Hier werd ook hun zoon Sjoerd geboren in 1616.
Sjoerd van Aylva trouwde in 1641 met Juliana Mauderick en werd 63 jaar.
Hun zoon Epe van Aylva, 1650 Rinsumageest, had een relatie met Lucia Sippesdochter van Aylva, maar trouwde in 1670 met achternicht Lutske (Douwesdochter) van Aylva. Zij kregen een zoon en een dochter.
Dochter Juliana van Aylva, 1671, trouwde in 1693 met Willem Frederik van Schratenbach een zoon van haar achtertante Lucia Barbara van Aylva en baron Wolf Sigmund van Schratenbach.
Ik heb niet kunnen achterhalen waar en wanneer Willem is geboren. Hij was vrijheer van Hogenberg (Heggenberg) en Osterwitz, maar vooral
 militair. Toen hij stierf in 1705 was hij generaal-majoor. Zij hadden drie kinderen waaronder Johanna van Schratenbach uit 1699.
Johanna trouwde in het jaar 1727 met Edzard Hobbe van Burmania, die op zijn beurt een zoon was van Edzard Jarichs van Burmania en Anna Dodonea thoe Schwartzenberg en Hohenlandsberg. Johanna werd 60 en Edzard 73 jaar en van hun vele kinderen was voor mijn stamboom alleen een zoon van belang: Zich noemende Willem Frederik Schratenbach van Burmania, geboren in 1729 in Ferwerd. Hij was 75 jaar toen hij in 1803 in Ferwerd overleed. Zijn eerste huwelijk met Anna Weytzel uit 1772 bleef kinderloos, maar bij zijn tweede vrouw, Allegonda Romkes, had hij drie dochters. De middelste, Lucia Barbara Schratenbach van Burmania, geboren in 1800, trouwde in 1819 in Leeuwarden met Steven Albert Arendsen Hein. Lucia werd slecht 40 jaar maar Steven werd 71 jaar. Zij hadden negen kinderen. De zevende was Georg Hendrik Arendsen Hein, geboren in 1830 in Elburg.
Deze Georg Arendsen Hein vertrok naar Nederlands Oost Indië om daar carrière te maken. Hij trouwde in 1857 in Pasoeroean met Anna Cornelia Dickelman. Zij was geboren in 1839 te Malang (Oost Java) en had met Georg  al vijf kinderen toen hij, 33 jaar oud, overleed aan boord van de “Admiraal De Ruyter” op weg naar Holland met het hele gezin. Anna zelf overleed pas in 1901 in Scheveningen. Zij was toen 62 jaar. Haar dochter Wilhelmina Frederika Arendsen Hein was eerder, in 1876, in Soerabaja getrouwd met Arnold (A.J.A.F.) Eerdmans.
Zij kregen dertien kinderen waarvan mijn oma, Cornelia Eerdmans, de negentigjarige oma was van het begin van dit verhaal.

Maar voor een honderdjarige blijf ik zoeken, want er zijn nog een paar duizend voorouders die ik nog niet heb gecheckt.

MelkemaStateRinsumageest1 Dit is de Melckema State in Rinsumageest, waar Ulbe van Aylva woonde rond 1510 met zijn vrouw Saepck Wynia (zie hier).

PS
Douwe van Aylva is een voorvader in de twintigste generatie. Als ik het goed heb uitgerekend behoort hij tot een van de 20.971.142 voorouders sinds zijn generatie. Anders gezegd: meer dan tien miljoen mensen die in 1350 leefden behoren in directe lijn tot mijn voorouders.
Dus ik ben nog wel even bezig.

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 2 reacties

Indische trekjes

Mijn oma De Vries, haar meisjesnaam was Cornelie Eerdmans, is in 1971 in Bussum overleden. Zij was ruim 90 jaar. Ik herinner mij haar als een “Indisch” vrouwtje die tot op hoge leeftijd met gitzwarte ogen de wereld om haar heen bekeek en met een mooie Indische tongval becommentarieerde. Op het laatst was het wat verwarrend voor haar, zodat zij dacht dat de landing op de maan een verzinsel was van Soekarno om zijn misdaden te verdoezelen.
Haar handen waren wat krom door de reumatiek, maar zij voelde zich goed beschermd door haar armband van olifantenhaar. Zij hield van lotusbloesemthee en haar huis geurde naar de tropen.
Een paar jaar geleden stortte ik mij op de genealogie van mijn familie. Ik behoorde inmiddels tot de eerste levende generatie en moest mijn gegevens veelal bijeen zoeken op het internet.
Uit die gegevens maak ik op dat zij op 26 juni 1881 geboren werd in Bikeroe (Zuid-Celebes, op het huidige Indonesische eiland Sulawesi) als vierde kind van Arnold Eerdmans en Mina Arendsen Hein. Voorwaar echte Hollandse namen. Maar waar kwam dan dat Indische uiterlijk vandaan? Dat komt toch niet door de zon, de rijst, de sambal en de santen?
In mijn zoektocht naar de voorouders van oma De Vries kom ik toch een paar vraagtekens tegen die het zou kunnen verklaren. Dan bedoel ik niet de verhalen van mijn vader die altijd lachend vertelde dat oma afkomstig was van “een Chinese prinses aan het hof van de Sultan en een Hollandse dominee”.

Officieel ziet haar stamboom er zo uit:

Cornelie Eerdmans,
dochter van:
      Augustinus Johannes Arnoldus Franciscus Eerdmans, (AJAF = Arnold) en
                                Wilhelmina Frederika Arendsen Hein
Arnold Eerdmans,
zoon van:
            Suffridus Henricus Eerdmans, geboren in Bergen op Zoom, en
                                Wilhelmina Helena van Delden
Suffridus is een kind van ouders die nooit in Indië zijn geweest en kunnen we hier buiten beschouwing laten. De vraagtekens zitten bij de beide Wilhelmina’s.

Mijn overgrootmoeder Wilhelmina Arendsen Hein,
dochter van:
      Georg Hendrik Arendsen Hein, geboren in Elburg, en
                                Anna Cornelia Dickelman.
Georg was de zoon van een postdirecteur die stamde uit een dominees geslacht en Lucia Barbara Schratenbach van Burmania, geboren in Leeuwarden. Lucia was een jonkvrouw en de laatste telg uit een oud Fries adellijk geslacht.
Maar was deze Anna Dickelman wel de moeder van Wilhelmina?
Wilhelmina werd geboren in 1856, vijf maanden voor het huwelijk van Georg en Anna. Een voorkind kwam in de beste families voor, zeker in Indië waar een huwelijk vaak niet zomaar te regelen was i.v.m. de grote afstanden in de Oost-Indische Archipel. Wilhelmina werd geboren in Cheribon (Noordwest Java) en het huwelijk vond plaats in Passoeroean (Oost Java), waar de ouders van de bruid een suikerplantage hadden. Als de verhalen van een Chinese prinses een grond van waarheid bevatten, is het heel goed mogelijk dat Wilhelmina een kind was dat Georg had verwekt bij een van de vrouwen uit de kraton van Cheribon. Een nicht van mij had ooit een fotootje van overgrootmoeder Wilhelmina Eerdmans op schoot bij haar moeder, “donkere vrouw”, volgens tante Cox, “een Dajakse”. Maar de inlandse op de foto kan net zo goed de baboe zijn geweest, want de Dajak woonden niet in de kraton. Bovendien is Wilhelmina wel opgenomen in het gezin van Georg en Anna en reisde vanaf jonge leeftijd steeds met hen mee (zie de passagierslijsten in de Indische kranten).

Dus richt ik mijn pijlen op mijn betovergrootmoeder: Anna Cornelia Dickelman 1839 – 1901.
dochter van:
      Jean Henri Dickelman, waarschijnlijk geboren in Amsterdam (± 1799), en
                                Anna Cornelia Kraijenhoff.

Jean is al op jonge leeftijd in Indië, want al in 1819 is hij commissionair in goederen van overleden personen en pakhuismeester in Buitenzorg. Hij was in 1826 in Bezoeki (Oost Java) gehuwd met Françoise Warnau, de weduwe van luitenant Leutner, waarmee zij in 1815 in Middelburg was getrouwd. Jean is dan inmiddels opgeklommen tot assistent-resident in de provincie Probolingo (Oost Java even oostelijk van Passoeroean en westelijk van Bezoeki). Helaas is Françoise al twee jaar na haar huwelijk met Jean overleden. Daarna hertrouwt hij met Anna Kraijenhoff, de weduwe van Franz von Winckelmann, waarbij zij drie kinderen had.

Anna  Cornelia Kraijenhoff is waarschijnlijk geboren in Colombo (Ceylon, ± 1798), Haar vader was dan een militair in dienst van de Bataafse Republiek, in Ceylon in krijgsgevangenschap van de Engelsen geraakt en in 1812 samen met vele krijgsgevangenen vertrokken naar Java. Daaronder was ook Frans Willem Lodewijk von Winckelman, een zoon van de beroemde Franz Karl Philip van Winckelmann. Al beweren sommigen dat hij een zoon was van Hendrik Karel Frans von Winckelmann (een bastaard achterneef van de eerste). Hoe dan ook Anna is 1824 met haar Frans getrouwd in Semarang (Midden Java). Met hem kreeg zij drie kinderen. Nadat hij in 1834 is overleden, hertrouwt zij de Jean Dickelman. Met hem krijgt zij nog vijf kinderen, waaronder Anna Dickelman, mijn betovergrootmoeder.
Over wie de ouders van Anna Kraijenhoff zijn tast ik vooralsnog in het duister. De meest waarschijnlijke vader is dus de militair Cornelis Johannes Kraijenhoff. Mogelijk werd zij verwekt bij een onbekende inlandse vrouw. Ik heb niet gevonden dat hij ooit met haar getrouwd is geweest. Tijdens het Engelse bewind in Indië is hij vertrokken naar Holland. Als hij 36 jaar is dient hij in het Nederlandse leger van koning Willem I. In 1815 is hij in Alkmaar getrouwd met de 15-jarige Elisabeth Phitzinger, die hij zwanger heeft gemaakt. Zij vertrekken bijna onmiddellijk naar Indië, want hun kindje wordt in Batavia geboren. Bij
 zijn overlijden in 1821 was hij luitenant-kolonel in het Nederlandsch-Indische leger. Met Elisabeth is het toch wel goed gekomen want zij is daarna gehuwd met Jean François Willem van de Willige van Schmidt auf Altenstadt en staat daarmee in de Top-30 van de langste achternamen.

Conclusie:
De Indische trekjes van mijn vader stammen dus van een voormoeder van vier generaties eerder, warm gehouden door de zon, rijst, sambal en santen.

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Sentiment 3

MARC GROET ‘S MORGENS DE DINGEN

Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visseke-vis met de pijp
en
dag visseke-vis met de pet
pet en pijp
van het visseke-vis
goeiendag
DAA-AG VIS
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn

Paul van Ostaijen

 

Geplaatst in Geen categorie | 3 reacties

Sentiment 2

HERINNERING

Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tezaam
Iedre nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moe gespeeld en moe gesprongen,
Zat ik op uw schoot, en dacht,
In mijn nacht-goed, kleine jongen,
Aan ’t geheim der nacht.

Want als wij dan gingen zingen
’t Ode, altijd-eendre lied,
Hoe God alle, alle dingen,
Die wij doen, beziet.

Hoe zijn eeuw’ge, grote wond’ren
Steeds beschermend om ons zijn,
– Nimmer zong je, moeder, zonder ‘n
Beven in je stem –

Dan zag ik de sterren fonk’ren
En de maan door wolken gaan,
d’Oude nacht met wijze, donk’re
Ogen voor me staan.

M. Nijhoff

Geplaatst in diversen, Geen categorie | Een reactie plaatsen

Sentiment

HET GEITENWEITJE

Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje
Bij de grote geit.
Geiteke wat moet je
Met je fijne snoetje,
Dat zo klaaglijk schreit?

 Met je bleke bekje?
Geiteke, wat rek je,
Trek je aan het touw?
Snuffelde aan mijn mouwen …
Met je lief vertrouwen
In zo’n vreemde vrouw?

 In mijn handen stop je
Nu je jonge kopje:
Zeg, wat moet ik doen? …
Op het geitenweitje
Staat het kleine geitje,
Als een wittigheidje
In het prille groen.

           Jacqueline E. van der Waals.

 

Geplaatst in diversen, Geen categorie | 1 reactie

Gellicum

 

img_0895

Ontdek je plekje:. “Wie Gellicum vanaf de provinciale weg over de Lingedijk nadert wordt verrast door zo’n oer-Hollands uitzicht dat men zich in een voorbije eeuw waant.”
Hoort u daarbij de strijkers en de omfloerste stem van Joop Schekkekens?

Gister had ik zo’n ervaring. Ik ging naar Gellicum om daar naar werk van overgrootvader Schenk te kijken. Al lang geleden had ik ergens gelezen dat er in de RK Kerk van Gellicum ook kruiswegstaties van M.C. Schenk zouden hangen. Eerdere pogingen om de kerk te bezoeken waren op niets uitgelopen. Maar nu had ik een afspraak met de koster kunnen maken en werd mij een blik op het interieur gegund.
Maar eerst even over het exterieur. Zoals op de foto te zien is denk je dat het een eenvoudige bakstenen kerk is, zoals we er zoveel in ons land kunnen vinden. Maar schijn bedriegt. Het kerkje staat op een terp achter de Lingedijk en heeft een ontstaansgeschiedenis die wel 900 jaar oud is en bevat nu drie onderdelen. De toren is het oudste gedeelte, begin 14de eeuw. Ook de noordbeuk (op de foto de achterzijde) en de aangebouwde sacristie (op de foto lijkt het een kruisbeuk) is van latere datum, ca. 1520. De luidklok uit 1611 is in 1943 door de bezetter gevorderd voor haar oorlogsindustrie. In 1636 is er aan de westkant (links op de foto) tegen de toren een zgn. Rechthuis van het schoutambt Gellicum gebouwd, dat later dienst deed als vergaderzaal van het polderbestuur.
In 1870 is de kerk onderhanden genomen door de architect Alfred Tepe. Hij liet het grootste gedeelte van de kerk ommetselen, zodat de authentieke kerk aan het oog is onttrokken. De leden van het Bernulphusgilde hebben zich vervolgens over het interieur ontfermd. Zo vinden we daar een vroeg neogotische preekstoel en een biechtstoel, zo te zien uit het atelier van F.W. Mengelberg. Ook het hoogaltaar zal door hem zijn gemaakt, al wordt dit in de stukken toegeschreven aan Mart C. Schenk. (Waarschijnlijk omdat het door hem is gesigneerd op een aantal onderdelen van het retabel.)

altaar-gellicum-linksvooraltaar-gellicum-linksmiddenaltaar-gellicum-rechtsmiddenaltaar-gellicum-rechtsvoor

De kruisweg staties zijn niet gesigneerd, maar zijn zeker ook van Schenk.

gellicum-i  gellicum-ii  gellicum-iii

Deze zijn geschilderd op houten panelen (zie de barst in de 7de statie hieronder) en in het atelier van Mengelberg voorzien van lijsten met tekst en kruisjes met statienummer.

img_0914

Hier is nog een woordje van dank op zijn plaats aan de koster van de kerk die mij heeft rondgeleid en van alles heeft verteld over het gebouw en de omgeving.

Geplaatst in Geen categorie | 5 reacties

Willem Hart

Ik heb hier al vaker de loftrompet gestoken over genealogie in combinatie met internet. Nog steeds vind ik het fantastisch wat er allemaal is gepubliceerd over mensen uit een ver of minder ver verleden. De oudere generaties zijn er niet meer, hen kan ik het niet meer vragen en dan nog is het de vraag of zij dat allemaal geweten hebben. Wel is er ook een gevaar te melden, waarvan ik het slachtoffer dreig te worden.

ER IS ZO VEEL

Als men zich beperkt tot de eigen voorouders is dat uitdagend genoeg en leidt dat misschien wel tot inzicht over het eigen functioneren.
Maar ik wil zo vaak van alles weten over mensen die ik toevallig tegenkom. Ik bedoel dan dat ik zoekend naar een familielid stuit op de vermelding van een persoon die een gelijkluidende naam heeft, maar niet tot mijn familie behoort. Als daarover dan iets opvallends wordt vermeld springen mijn haartjes overeind en wil ik er alles van weten.

Ik zal u een voorbeeld geven:
Een van mijn nichtjes is mijn petekind Astrid Hart. Haar vader Aat Hart was (hij is helaas overleden) een ex-zwager, waar ik hele mooie herinneringen aan bewaar. Onlangs begon ik met het uitzoeken van zijn genealogie.

Zijn vader, meneer Hart, had ik nog gekend. Sterker nog, ik heb een tijd bij hem in huis gewoond. Toen heb ik ook zijn beide dochters leren kennen. Ik hoorde van zijn broer, die in Utrecht net als hij een zaak had in verf en behang. Maar verder heb ik mij met zijn afkomst of verdere familie niet beziggehouden.
Nu ontdekte ik dat “meneer Hart” geboren was in Enkhuizen als Meindert Jacob Hart. Enkhuizen is de buurgemeente van mijn huidige woonplaats, wat voor mij heel opmerkelijk is maar u hoogstwaarschijnlijk niets zegt.
Generaties Hart hebben in Enkhuizen gewoond en wonen er nog. In de negentiende eeuw waren het hoofdzakelijk vissers, timmerlieden en broodbakkers. Of eigenlijk waren dat drie verschillende takken. Het kwam wel voor dat de zoon van een visser timmerman werd, een telg van de broodbakker toch de zee op ging om haring te vangen of andersom. Maar doorgaans bleef men generaties lang het beroep van vader doorzetten. Maar niet alle Harten bleven in Enkhuizen. Vooral bij de bakkers vestigde een van de zonen zich in een andere Westfriese plaats. Ook Meidert Hart kwam uit de tak van broodbakkers. Zijn vader Pieter Hart trok zelfs nog verder weg. Hij kwam terecht in Schoten bij Haarlem waar al een achterneef bakker H. Hart zich met succes gevestigd had. Maar dat wilde ik allemaal niet vertellen.

Ik wilde het hebben over Willem Hart, koorddanser, toneelspeler, toneeldirecteur en schouwburgdirecteur. Hij werd in 1849 in Meerkerk geboren en is overleden in 1933 in Antwerpen (zie: https://www.genealogieonline.nl/stamboom-de-bruijn/I17935.php )

Ik kwam in het Haarlemsch Dagblad een aantal recensies tegen van stukken die waren opgevoerd in de schouwburg van Willem Hart.

En meer berichten over dit fameuze gezelschap, dat voornamelijk bestond uit Willem Hart en zijn vrouw Geertje Hazenhorst (in een van de stukjes wordt zij abusievelijk aangeduid als Hazenhout) en hun zes van zeven kinderen aangevuld met acteurs van buiten als Johan Nagtegaal enz..
Het bleek een reizende schouwburg die op vele kermissen in het hele land hun voorstellingen gaven.
Bij zijn huwelijk op 29 januari 1873 in Leiden met Gertrudis Hazenhorst was Willem nog koorddanser van beroep. Maar “na een val als trapezewerker” werd hij toneelspeler samen met zijn vrouw en enkele anderen speelde hij sketchjes en stukken op kermissen in de circustent die hij had overgenomen van zijn vorige baas. Een tijdlang loste hij zijn woon- en vervoersprobleem op door een boot te kopen waarmee hij rondtrok. Van lieverlee gingen zijn kinderen een steeds belangrijkere rol spelen in het theatergebeuren. Vooral zijn dochter Jeannette heeft nog een carrière gemaakt als actrice samen met zijn zoon Willem. Zijn zoon Frans werd eigenaar van het Kennemer Theater in Beverwijk dat tot de 1940 ingericht was als bioscoop en later onder diens zoon nog lang heeft bestaan.
In de theater-encyclopedie staat alleen iets over zijn kleinzoon Wim Hart (5 juli 1926). Hij speelde op zijn zesde jaar zijn eerste rol in “Beatrijs” bij het gezelschap van zijn vader Willem Hart (1884-1955), tante Netty Hart (1882-1971) en Piet Vink. Vanaf zijn 15e jaar was hij zowel voor als achter de schermen actief bij dit gezelschap, dat voornamelijk op kermissen werkte. Door toedoen van Adolphe Engers kreeg hij een engagement bij het Residentie Tooneel, waarna hij tot 1952 bij grote gezelschappen speelde. Hij maakte bovendien in 1948 een tournee met Hans Kaart. Hij reisde naar Canada, was terug in Nederland een seizoen regisseur bij de KRO-televisie (1959/60) en emigreerde in 1960. Thans is hij “professor of art” aan de universiteit van Sudbury in Canada.

Ach, “er is zoveel” zei ik al.

Teveel?

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | 5 reacties