Een vergissing is menselijk

geboorteakte tante mina 1823

Dit is de geboorteakte van Wilhelmina Frederica Arendsen Hein. De tante van mijn overgrootmoeder naar wie zij duidelijk is vernoemd.
“Tante Mina” is dus in 1823 geboren in Elburg.
Mijn overgrootmoeder is geboren in 1856 in Cheribon (Java, Ned. Indië) en heette dus ook Wilhelmina Frederika Arendsen Hein. Zij was een voorkind van Georg Arendsen Hein en Anna Dickelman. Georg en Anna waren destijds (nog) niet getrouwd. Misschien was hun ongehuwde status de reden dat Georg zijn dochtertje vernoemde naar zijn “lievelings-?” zuster en niet naar zijn moeder of grootmoeder.
De Wilhelmina van de akte was de dochter van mijn bet-overgrootvader Steven Albert Arendsen Hein en zijn vrouw Lucia Barbara Schratenbach van Burmania. Freule Lucia was de laatste telg van het roemrijke geslacht, dat teruggaat tot de vroegste geschiedenis van de Friese adel.
Steven Hein had al voor zijn huwelijk zijn familienaam laten registreren als Arendsen Hein (waarschijnlijk om zich daarmee wat meer status te verwerven en/of om zijn aanstaande schoonvader te imponeren).
Daarom fantaseer ik bij deze akte dat toen Steven aangifte kwam doen bij de burgerlijk stand, hij de roemrijkste voornamen uit hun beider voorgeslachten wilden gebruiken. Bijvoorbeeld bet-overgrootmoeder van zijn vrouw; Anna Dodonea Thoe Schwartzenberg en Hohenlandsberg (1658 – 1714) en zijn overgrootvader; de beroemde dominee Casimir Albrecht Hein (1725 – 1794 ). Maar weer thuiskomend vertelde hij aan Lucia dat hij zijn dochter als Anna Casimira Dodonea Albregta had laten inschrijven. Ogenblikkelijk werd hij door zijn vrouw teruggestuurd met de mededeling dat Wilhelmina Frederica (zoals zij hadden afgesproken) mooi genoeg is. Dus werden de getuigen weer opgetrommeld en in het register van de burgerlijke stand de verandering aangebracht.

Advertenties
Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | 2 reacties

De eerste boterbloem

Ik roep de hulp in van mijn familie en andere vrienden.
Thérèse had zulke mooie boterbloemen gefotografeerd (ik bedoel dat zij zulke mooie foto’s had gemaakt van boterbloemen aan de waterkant). Daarbij moest ik denken aan een versje dat Eefje of Noortje declameerde toen ik nog van niets wist. (Weet ik nu zoveel meer, vraag ik mij af.)

de eerste boterbloem
Het gaat ongeveer zo:

Toen de eerste boterblom
Dit jaar boven het gras uitklom
Toen stonden om haar ….
Vier koeien, dik en dom.
Zij keken naar dat rare ding
Dat voor hun kop te wiebelen sting
En … …



Zij bakten X X X nog een verse trom
En keken niet meer om.

Bij de kruisjes in de voorlaatste regel klapte de declamante in de holle hand om het geluid van de vallende koeienpoep na te bootsen. Zo prachtig vond ik dat laatste dat ik door de spanning van wat komen ging een aantal regels ben vergeten.
Wie helpt mij aan de complete tekst en/of de naam van de dichter?

Geplaatst in diversen, Geen categorie | Een reactie plaatsen

Pinda

Gistermorgen stond ik op in de wetenschap dat het een “zware” dag ging worden. Nou ja, er stonden wat zaken op de agenda waar ik een hekel aan heb: ’s morgens naar de tandarts en ’s middags naar de huisarts voor bloeddruk controle. Om de moed erin te houden speldde ik een button op die Martijn voor mij gemaakt heeft: “Red de Reuzenpinda”.

IMG_7906
Ik kleedde mij verder aan en ging ontbijten. Nog eens extra mijn tanden poetsen en ik vertrok. Ik werd gemarteld, maar getroost doordat iedereen zo vriendelijk voor mij was. Na de lunch, weer de deur uit en ook nu weer was iedereen zo vriendelijk voor mij. Pas toen de praktijkondersteunster haar blik op mijn borst richtte en in een vrolijke lach uitbarstte, begreep ik dat mijn button dit wonder had verricht.
Vanmorgen bij het sluimeren lag ik daar nog aan te denken. Opeens dacht ik: wat is pinda eigenlijk voor een woord. In alle talen die ik min of meer beheers wordt een pinda met een heel ander woord aangeduid. Okee, wij zeggen ook wel een olienoot, aardnoot of apennootje, maar in het Maleis is het katjang, hoewel de Indische Chinees in mijn herinnering altijd riep: Pinda pinda, lekka lekka!

Nu ik opgestaan ben en achter de computer zit wordt mijn nieuwsgierigheid bevredigd.
Pinda is een woord dat via het Papiaments tot ons is gekomen. De oorsprong van het woord is uit Afrika meegenomen, in het Congolees heet de noot, die eigenlijk geen noot, maar een boontje is: mpinda. Toch wel vreemd dat het Afrikaanse woord voor een Zuid-Amerikaanse plant alleen in het Nederlands terecht is gekomen.

Engels – peanut (wat erwtnoot betekend)
Duits – Erdnuss ( weten die Duitsers veel)
Russisch – arakhis (verwant met de Latijnse benaming van de plant Arachis Hypogaea
Italiaans – arachide (idem)
Grieks – Fistiki  (niet te verwarren met onze visstick)
Portugees – amendoin (dat lijkt gewoon nergens naar)

Aanvulling:
Frans – arachide of cacahuète (dat laatste is een verbastering van het woord dat de Zuid-Amerikaanse indianen voor de plant/vrucht hadden tlālcacahuatl en dat “cacao-uit-de-grond” betekende.

Overigens is het woord katjang zoals dat gebruikt werd in Nederlands Indië een woord dat boon of jeukboon betekent en gebruikt werd om een kwajongen, deugniet, lastpost mee aan te duiden, later ook gebruikt voor pinda.

Zo, weer wat geleerd.

Geplaatst in diversen, Geen categorie | 5 reacties

Tante Jo

indisch meisjeIk ben al geruime tijd op zoek naar bewijzen dat “Tante Jo” zelf ook kinderen heeft gehad. Tante Jo was een vrouw met de meisjesnaam Johanna Hendrika Adriana Carolina Koch. Zij werd geboren in 1837 in Soerabaja als dochter van Johannes Koch en Binjo, een Javaanse vrouw. Niet veel ben ik tot nu toe  over haar te weten gekomen. Zij groeide op in Nederlands Indië neem ik aan, toch is zij op 28 augustus 1867 getrouwd in Nijmegen. Waarschijnlijk was haar moeder rond 1845 gestorven en heeft haar vader haar meegenomen naar Nederland toen hij in 1848 gepensioneerd werd als kapitein van het Nederlandsch Indische leger. Hij vestigde zich in Nijmegen waar hij kennis maakte met de jonge weduwe Greetje Verweij. In 1849 is hij met haar getrouwd. Jo bleef bij hen in huis wonen en er kwamen nog vier kindjes bij, twee (half)broertjes en twee  –zusjes. In 1866 maakte Jo kennis met de commies Adrianus Rudolphus Kraijenhoff van de Leur (een nazaat van het fameuze  lid van de Hoge Raad Mr. A.R. Kraijenhoff). Onze Adriaan Kraijenhoff was in Indië nog maar net begonnen aan zijn ambtelijke carrière toen hij in 1866 verlof kreeg toegewezen wegens ziekte. Jo verteld Adriaan dat zij haar Indië zo miste en zij besloot met hem terug te gaan naar Java als zijn verlof ten einde was. Op 9 september 1867 zijn zij in Nijmegen getrouwd. Het huwelijk deed hem goed hoewel de advertentie die hij in de krant laat zetten doet vermoeden dat hij menigmaal werd gecondoleerd met zijn afscheid van het vrijgezellen bestaan.

huwlijk Adrianus Kraijenhoff

Toch reisde hij al datzelfde jaar welgemoed terug naar de Gordel van Smaragd om zijn werk als ontvanger bij de accijnzen en belastingen op Celebes op te pakken. Helaas werd hij toch weer vaak ziek en in 1877 is hij overleden. Johanna, nu weer vrijgezel, viel op Henri van Delden, een negenendertigjarige ondernemer die een koffieplantage aan het opbouwen was. Zij trouwden op 31 augustus 1879 in Buitenzorg bij Batavia. Maar al na vijf jaar wordt ook deze partner ziek en overlijdt in Pasoeroean Oost-Java. Johanna verkoopt de gronden van de onderneming van haar man, de NV Tjoeling, en vertrekt naar Europa. Op de passagierslijst van de ss Burgemeester den Tex van april 1891 staat zij vermeld. Zij reist samen met twee kinderen. Zijn dat haar kinderen of begeleidt zij twee minderjarigen die in Holland gaan studeren? Zij vestigt zich in Wageningen, waar zij een pension begint voor studenten uit Indië. Daar houdt zij de naam “Tante Jo” aan over. In 1905 gaat zij weer terug naar Indië om haar laatste dagen in de tropen te slijten. Maar zij houdt het aardig uit, want zij is pas in 1929 in Malang overleden, zij was toen 91 jaar.

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | 1 reactie

Isaäc de Vries II

Soms kom je, als genealoog, iets op het spoor waarvan later blijkt dat je helemaal verkeerd zit.

Zoekend naar “mijn” Izaak de Vries stuitte ik op iemand van die naam die in 1901 in Schagen is overleden. De krant kopte: Izaak “de vreter” is overleden.
izaak de vreter

Het ging om Isaac de Vries. Deze naamgenoot had in zijn korte leven, hij werd slechts dertig jaar, een reputatie opgebouwd als Holle Bolle Gijs. Hij bleek in staat om grote hoeveelheden voedsel tot zich te nemen zonder dat hem dat zichtbare moeite kostte. Daarom leek het de uitbater van een “specialiteitentheater” in Amsterdam  een goede zet om hem in te huren als attractie op de kermissen en jaarmarkten in Noord-Holland.

Izaak zag er wel brood in. Zo heeft men hem op diverse plaatsen kunnen bewonderen hoe hij in recordtempo een hele rauwe rodekool, vier broden, een hele worst en vijftig pruimen naar binnen werkte. Een andere keer vermaakte hij he publiek door het eten van een hele bos scharretjes, enkele haringen en een lang witbrood .Maar de act werd voor de theaterdirecteur te kostbaar en Izaak werd ontslagen.
Izaak dreef handel in ongeregeld goed, maar zijn naam was gemaakt. Toch deed hij er alles aan om beroemd te blijven. Zo haalde hij eens de publiciteit toen hij uit een hotel in Haarlem werd gegooid. Hij had geweigerd te betalen, omdat er geen broodjes meer werden gebracht nadat hij de hele ontbijttafel had leeggegeten. Op de sociëteit in Haarlem werden zijn proeven van bekwaamheid als “beestachtig” omschreven. Ik heb geen aanwijzingen kunnen vinden over zijn postuur. Bij de militie werd hij wel al na drie maanden ontslagen. In de registers staat “wegens lichaamsgebreken” en niet wegens overmatige eetlust. Dat hij op zo jonge leeftijd overleed is ook geen aanwijzing, want de krant meldt dat hij aan de “vliegend tering” is bezweken.

Geplaatst in diversen, Geen categorie, genealogie | Een reactie plaatsen

Zoeken naar Isaäc de Vries

Zijn voornaam wordt ook geschreven als Isaac, Izaak en Izaac. Mijn voorkeur gaat uit naar Izaak, hoewel in de geboorteakte Isaäc staat.

pieterspoort-rokin-768x915

geboorte izaak

Dit stukje gaat dus over Izaak de Vries, die geboren is in 1878 in Amsterdam.
Zoals de naam al doet vermoeden reken ik hem tot familie, al moet ik ver terug om de familierelatie weer te geven.
Mijn overgrootvader Lijpman de Vries (de vader van mijn opa Maurits de Vries) was koopman in textiel. Zijn zaak “De Lakenbaal” op de Anthonie Breestraat en later op de Nieuwedijk in Amsterdam was redelijk succesvol en hij genoot aanzien in de Grote Synagoge, mede vanwege zijn inzet en giften. Ook trok hij zich het leed van de armoelijdende geloofsgenoten aan. Zo was hij penningmeester van de “Vereniging voor hulp aan noodlijdende Ooglijders” (vooral bedoeld voor de Joodse diamantslijpers die veel met oogklachten te kampen hadden).
Deze Lijpman was de jongste van de acht kinderen van de Zwolse koopman Benedictus de Vries, die allen, met wisselend succes, zijn uitgevlogen over Nederland. Lijpman kwam dus naar Amsterdam.
Een van zijn broers, die Aron heette, ging terug naar de stad van zijn voorouders: Leeuwarden. Daar is hij getrouwd met Hester Polak. Samen kregen zij negen kinderen. Aron hield zich bezig met de handel, waarschijnlijk ook textiel, garen en band.
Als Aron overlijdt in 1855 probeert zijn vrouw Hester nog enige tijd met de verkoop van de voorraden garen en band het hoofd boven water te houden. Maar na enige tijd komt het gezin in zwaar weer terecht.
Ik probeer er achter te komen wanneer precies Hester besluit om Leeuwarden te verlaten en te verruilen voor Amsterdam.
De vroegste vermelding van haar in het bevolkingsregister van Amsterdam is van 1870, maar dan woont zij al een tijdje in Amsterdam. Op 25 maart 1870 schrijft zij zich in op het adres Zeedijk 89. Daar woont zij met twee van haar kinderen: dochter Heintje, die dan al 30 jaar is, en haar jongste zoon Izak van  achttien jaar. Let op: Izak de Vries is dus zijn oom (= broer van zijn moeder).
Vanaf 1877 woont Hester in Warmoesstraat 9. Het is dan een komen en gaan van zonen en dochters die op verschillende data bij haar inwonen.
Hoewel zij soms ook op een ander adres verblijft woont zij daar tot juli 1890.
Ik zie dat in 1879 ook haar dochter Mina bij haar inwoont. Mina heeft dan een zoontje, die in 1878 in Amsterdam is geboren. Zij heeft haar zoontje Izaak genoemd maar de naam van de vader wordt niet vermeld. Mina en Izaak vertrekken weer in 1880 en wonen dan op verschillende adressen. Izaak wordt ingeschreven als pleegkind in het gezin van Abraham Vega en Aaltje Scheffer. Enkele maanden later staat hij te boek als pleegkind van Salomon Leefson en zijn vrouw Meriam d’Oliviera. Maar soms woont Izaak ook als “neef” bij een van  de zussen van zijn moeder; Cato of Christina en soms ook als kleinzoon bij Hester Polak.

Zijn moeder Mina was in 1889 overleden als de kleine Izaak elf jaar is. Toch groeit hij op, ook letterlijk, want als hij in 1897 gekeurd wordt voor de militie is hij 1,78 m lang (bijna 20cm langer dan zijn ooms en tantes). Uit het militieregister maak ik op dat hij soldaat is geworden, maar verder ontbreekt van hem vooralsnog ieder spoor. Behalve dan dat hij, 75 jaar oud, is overleden op 14 januari 1954 in Rotterdam (volgens een bericht in “Het Vrije Volk” is hij ongehuwd gebleven).

overlijden izaak

De eerste foto is de St Pieterspoot tussen Nes en Rokin. De huizen boven de poort zijn Nes 56 en Nes 58. Mina heeft in beide huizen gewoont met de kleine Izaak. De afbeelding komt van deze site

De tweede van Familysearch, zoekakten.nl en de laatste van Delpher.nl

 

Geplaatst in Geen categorie, genealogie | Een reactie plaatsen

Mevrouw Blankendaal

mevruw Blankendaal   Mevrouw Blankendaal
In mijn vorige stukje mijmerde ik over de namen van mijn jeugd in Haarlem.
Zo noemde ik even mevrouw Blok, die zulke mooie doeken met Indische taferelen in haar huiskamer had hangen en een prachtige serie olifantjes, van klein naar groot, op de schoorsteenmantel.
Ik vermelde bakker Hart, waar je alles meekreeg zonder te betalen.

Mijn vriendje Peter en ik speelde vaak op het platte dak van de schuur in de achtertuin. Wij waanden ons dan aan boord van een piratenschip op volle zee. Een nadere keer was de schuur onderdeel van de stadsmuur van Haarlem, die tegen de Spanjaarden verdedigd moest worden. In plaats van kokende pek gooiden we met modder van dooie bladeren naar de zusjes beneden, maar het effect was hetzelfde. Van de mooie blokken uit de blokkendoos sneden we houten zwaarden of we maakten pijl en boog van de hengel van mijn broer. Wij voelden ons onbespied voor de familieleden in de tuin. De schuur grensde aan de tuin van buurman Hanekroot, een gepensioneerde militair met een opvallend rode neus met putjes als een rijpe aardbei, ondersteund door een witte snor. (Dankzij de genealogie weet ik dat hij kantoorbediende was en sinds 1936 gescheiden leefde van zijn echtgenote.) De tuin van meneer Hanekroot zag er heel anders uit dan het slagveld dat door ons kinderrijk gezin ook als “tuin” was bestempeld. Een strak geschoren gazon werd omzoomd door kleurrijke borders. Eens ontdekten Peter en ik dat er aan de struik die tegen de wand van de schuur aan de kant van de buurman een appeltje was komen groeien. Eerst nog maar heel klein, maar de weken daarna zagen wij de vrucht in omvang toenemen. We zagen ook dat er een soort dons op groeide waaruit Peter de conclusie trok dat het een perzik moest zijn. Ik had nog nooit van een perzik gehoord, maar Peter wist te vertellen dat het de lekkerste vrucht was die er bestaat. Zo zoet en sappig dat de limonade langs je kin loopt als je er in bijt. Nou dat wilde ik wel eens proeven en met een schepnetje uit het restant van mijn broers visspullen plukten wij de vrucht van de struik. Maar hij was helemaal niet sappig en smaakte wrang. Ik had al spijt dat ik in die mooie vrucht gebeten had nog voordat alles uitkwam en ik verantwoording moest afleggen bij mijn vader, die mij met moeite uit de wraakzuchtige klauwen van de buurman wist te houden.

Maar ik wilde eigenlijk wat anders vertellen. Dat gaat over mevrouw Blankendaal, de vrouw van de groenteboer.
Soms ging ik met mijn moeder mee naar de groenteboer op de hoek van de Wilgenstraat en de Plataanstraat. Ik vond dat altijd wel spannend. Vooral als moeder aardappeltjes kocht die zij liet schrappen. Mevrouw Blankendaal gooide dan de gekochte aardappelen in een grote groene gietijzeren machine. Zij drukte op een knop en er klonk een reusachtig geraas en gesis, maar de machine bleef onbewogen aan het werk. Na enkele minuten al stopte het apparaat en de groentevrouw opende een klep en ziedaar er kwamen allemaal goudgele aardappeltjes naar buiten rollen in de schaal die zij er onder hield. Ik genoot daarvan en bepaalde voor een groot deel het ontzag dat ik voor haar had.
Het was een grote pezige vrouw met enorme handen waarmee zij in een onbewaakt ogenblik stevig in je wang kon knijpen. Haar lange zwarte haren waren opgestoken, al sliertte er wel hier en daar wat pieken uit. Zij had felle donkere ogen die waakte over de appels en peren die in de kisten voor de etalage stonden. Wee de knaap die probeerde er eentje weg te kapen. Met haar lange benen in de wijde rok had ze de dief snel te pakken en in gedachte zag ik de onverlaat dan in de schrapmachine verdwijnen.

De herinneringen aan mevrouw Blankendaal zijn hier en daar wat aangezet door de verhalen die er later over haar werden verteld.
Zo weet ik nog dat ergens begin jaren vijftig Sinterklaas bij ons zijn opwachting maakte. Wij allen zaten in de kamer te zingen met een hart dat “vol verwachting klopte”. Sinterklaas kwam binnen en werd door mijn ouders naar mijn vaders fauteuil gedirigeerd die voor de gelegenheid tussen de schuifdeuren was geplaatst. Hij had het “grote boek” meegenomen waaruit hij kwistig reprimandes deelde voor alle kinderen afzonderlijk. Waarschijnlijk werd daarbij aan mijn adres ook de affaire met de perzik of de doos bonbons gememoreerd. Wij moesten dan een voor een bij Sinterklaas komen en werden na de boetedoening, meestal het zingen van een liedje, toch beloond met een cadeautje uit de grote zak die Sint had meegenomen. Sinterklaas zelf werd door mijn vader voorzien van sigaren en jenever, wat tot grote hilariteit bij mijn oudere broers en zusjes leidde. Ik wist toen niet dat onder die indrukwekkende baard mevrouw Blankendaal schuilging. Maar de groentevrouw liet zich niet kennen. Zij sloeg de ene na de andere borrel als een bootwerker achterover en pafte de sigaar alsof het meneer pastoor zelf was. Toen was mijn vader aan de beurt om voor de Sint te verschijnen. Om overzicht te houden op alle kinderen beval hij (zij) mijn vader om te knielen. Maar dat weigerde hij, zich beroepend op iets uit de geschiedenis (wat, weet ik niet meer) en weigerde ook om te zingen omdat hij alle aantijgingen in twijfel trok. Sinterklaas denderde dat hij dan in de zak mee moest naar Spanje. Om onduidelijke reden smeekten wij bijna huilend mijn vader om toch maar te knielen en te zingen, want hoe moest het dan zonder vader. Later zijn er momenten geweest dat ik dacht …

Geplaatst in diversen, Geen categorie | Een reactie plaatsen